Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Potvisstrandingen


    Claes Jansz. Visscher naar Esaias van de Velde, De gestrande potvis te Noordwijk op
    28 december 1614, ets.

    Als bewoners van de oceaan raken potvissen slechts zelden verzeild in de zuidelijke Noordzee. Het merendeel van de vondsten op onze kust dateert uit het winterhalfjaar, uit de maanden december tot en met maart. Wij hebben gezien dat de mannetjes 's zomers naar het noorden trekken. Aan onze kant van de Atlantische Oceaan loopt hun trekroute door het diepe water ten westen van de Britse Eilanden. Het lijkt erop dat een klein aantal dieren tijdens de herfsttrek, op weg naar zuidelijker wateren, de Noordzee binnenzwemt; ook kan het hierbij gaan om stieren die een winter in noordelijke wateren blijven rondzwerven. In de noordelijke Noordzee ondervinden deze waarschijnlijk weinig problemen. Het zuiden van de Noordzee is echter zeer ondiep en ongeschikt als leefgebied voor de potvis. De voedselomstandigheden zijn hier totaal anders dan in de oceaan en het navigeren in het ondiepe water met zijn zandbanken en tijverschillen gaat de potvis niet goed af. De dieren die er niet tijdig in slagen de Noordzee uit te komen, zitten als het ware in de val en komen tenslotte om. Mogelijk komt er tijdens de voorjaarstrek ook wel eens een potvis via het Kanaal in onze wateren terecht.

    Sterft een potvis (of andere walvisachtige), dan zinkt zijn lichaam gewoonlijk na enige tijd naar de bodem, waar het wordt opgenomen in de kringloop van de zee. Maar komt een verzwakte potvis dicht onder de kust, dan spoelt hij tenslotte dood of nog levend aan. Het grootste deel van de bij ons gestrande potvissen bestaat waarschijnlijk uit zulke verdwaalde, solitaire dieren.

    Massastrandingen

    Maar er is ook een ander soort strandingen: die waarbij kleinere of grotere groepen tegelijk op het strand terechtkomen, levend en ogenschijnlijk in goede gezondheid. Deze zogenaamde massastrandingen doen zich niet alleen voor bij de potvis, maar ook bij enkele andere tandwalvissen (nooit bij baleinwalvissen). Behalve van de potvis, is dit verschijnsel bekend van  grienden en zwarte zwaardwalvissen en ook, zij het slechts zelden, van enkele soorten dolfijnen. Elk jaar verschijnen er berichten van dergelijke gebeurtenissen in de kranten. Door het feit dat de dieren bij volle bewustzijn stranden, zich als het ware willens en wetens op de kust lijken te werpen, terwijl ze zich maar hoeven om te draaien om open water te bereiken, spreken de journalisten vaak van 'zelfmoord'. Zelfs dieren die door redders weer naar zee worden gesleept, stranden vaak opnieuw, hetzij direct, hetzij een of enkele dagen later. In veel gevallen strandt tenslotte de hele groep, terwijl de te hulp geschoten mensen machteloos en hevig geëmotioneerd toekijken.


    Massastranding van potvissen bij Ter Heijde op 22/23 november 1577. Ets van Johann Wierix.

    Het is nog steeds niet geheel duidelijk wat er bij zulke drama's precies aan de hand is. Wel vertonen deze gebeurtenissen een aantal opvallende overeenkomsten, waardoor wij een idee hebben in welke richting we een verklaring moeten zoeken.

    In de eerste plaats gaat het om een beperkt aantal soorten, hierboven al genoemd; bij de vele andere tandwalvissen komen massastrandingen niet voor. Zonder uitzondering betreft het dieren die in diep water leven en ondiepe kustzeeën gewoonlijk mijden. Verder leggen de soorten in kwestie min of meer regelmatige trekbewegingen af en leven ze in zeer hecht groepsverband.

    In de tweede plaats komen massastrandingen niet overal ter wereld voor. Enkele streken zijn bijzonder berucht, zoals Gape God in Massachusetts, Florida, de zuidwesthoek van Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland. In de meeste gevallen vinden dit soort strandingen plaats op geleidelijk oplopende kusten en vaak bevindt het diepe, oceanische water zich op betrekkelijk korte afstand van het land.

    Desoriëntatie

    We kunnen ons nu ongeveer het volgende scenario voorstellen. Een groep walvissen komt tijdens de trek op de een of andere manier in ondiep water terecht. In tegenstelling tot de soorten die in deze kustwateren thuishoren, kunnen zij hier niet naar behoren navigeren. De geluidssignalen die de dieren uitzenden, worden door de langzaam oplopende kust niet of slechts zeer zwak teruggekaatst. Als de dieren de echo's al opvangen, worden die niet herkend of verkeerd geïnterpreteerd. Bovendien kunnen getijbewegingen voor extra problemen zorgen, waardoor de groep door laag water overrompeld kan worden. Enkele dieren raken aan de grond en de hele groep raakt in rep en roer. De wijfjes zullen de jongen te hulp komen; de jonge dieren zullen de oudere wijfjes volgen, ook als die vastgelopen zijn. De band tussen de leden van de groep is zo hecht, dat een groot deel of zelfs alle individuen tenslotte stranden; dieren die door de mens zijn vlotgetrokken, voegen zich opnieuw bij hun soortgenoten. Met veel moeite en onder gunstige omstandigheden slaagt men er wel eens in een deel van zo'n groep te redden. Lukt het om een of meer oudere dieren naar diep water te trekken, dan volgen de andere soms ook. Het probleem bij zo'n reddingsactie is echter dat men vaak niet weet met welke dieren men moet beginnen, gesteld al dat men die keuze heeft. En bovendien strandt, zoals gezegd, de groep elders soms opnieuw. Het behoeft geen betoog dat men een kudde potvissen al helemaal geen hulp kan bieden.

    Zieke dieren

    Hoe is het mogelijk dat een groep walvissen zodanig gedesoriënteerd raakt, dat ze in zulk gevaarlijk water terechtkomen? Daarover bestaan verschillende theorieën. De meest waarschijnlijke is dat een aantal dieren zo ziek is, dat hun oriëntatievermogen sterk is verminderd. Sectie op slachtoffers van massastrandingen heeft verschillende ernstige infecties aan het licht gebracht. Binnen een groep walvissen kunnen bepaalde ziekten en parasieten zich snel verspreiden. Bovendien vertonen de leden van een groep de neiging soortgenoten die ziek zijn of anderszins in moeilijkheden verkeren, te hulp te komen, waardoor ook gezonde dieren kunnen verongelukken.

    Aardmagnetische veld

    Een andere theorie is dat trekkende walvissen zich oriënteren aan de hand van het aardmagnetische veld, zoals dat ook van vogels bekend is. In sommige gebieden treden van tijd tot tijd storingen in dit veld op, waardoor een groep walvissen een verkeerde richting op zou kunnen zwemmen. Midden op zee zal dit weinig problemen opleveren; dichter bij land kan dit echter gevaarlijk zijn. Naderen zulke dieren een steile rotskust, dan zijn de teruggekaatste echo's duidelijk genoeg en zullen de dieren tijdig van richting veranderen. De ongelukken gebeuren in die gebieden, waar de groep door een dergelijke navigatiefout in ondiep water belandt. Tenslotte sluiten beide mogelijkheden elkaar geenszins uit: het is denkbaar dat juist zieke dieren als gevolg van dit soort storingen zulke fatale fouten maken. In elk geval zijn nog lang niet alle vragen opgelost.

    Gestrande groepen in de Noordzee

    Ook in de Noordzee hebben verschillende massastrandingen van potvissen plaatsgehad. In juli 1577 is er een aantal exemplaren de Schelde opgezwommen; daarvan zijn er ten minste drie gestrand, op verschillende plaatsen (de documentatie van twee andere is onvoldoende). De potvis die in dat jaar bij Doel, vlakbij Antwerpen, terechtkwam, is door allerlei afbeeldingen en beschrijvingen bekend geworden. In november van datzelfde jaar verbleef er eveneens een groep potvissen in onze wateren. Dertien of veertien dieren verschenen voor de kust van Ter Heijde bij Monster; drie strandden er, de rest wist het open water weer te bereiken. Interessant is het verslag van deze stranding op een pamflet uit dat jaar. Nadat er een potvis gestrand was, kwamen volgens ooggetuigen enkele andere hem te hulp; deze raakten eveneens aan de grond. Tenslotte is er de groep die begin 1762 bij de Waddeneilanden verscheen. Een aantal van deze dieren strandde; niet allemaal tegelijk, maar verspreid over de maanden januari en februari op de eilanden Vlieland, Terschelling en Griend. Ook hier wisten de meeste uiteindelijk te ontkomen (men spreekt van ten minste dertien stuks), waarvan er waarschijnlijk later nog een aanspoelde bij Zandvoort. In diezelfde winter is er nog een groep van zes potvissen gestrand in de monding van de Theems, twee exemplaren in de Elbe-monding en nog enkele dieren op verschillende plaatsen in de Noordzee. In recente tijd hebben we - gelukkig - dit soort drama's niet meer meegemaakt.

    Tekst van dr. C. Smeenk en drs. M.J. Addink uit:
    Op het strand gesmeten; Vijf eeuwen potvisstrandingen aan de Nederlandse kust  © Teylers Museum, Zuiderzeemuseum en Walburg Pers, 1992

    Terug naar het overzicht