Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Jaaroverzicht walvisstrandingen 2016

    Het aantal aangespoelde walvissen in 2016 was met 676 dieren ruim twee keer hoger dan het jaar ervoor (figuur 1). Het was zelfs hoger dan het gemiddelde sinds 2006 (namelijk 558, berekend over 2005-2016) en het op drie na hoogste, met alleen hogere aantallen in 2011 (897), 2012 (760) en 2013 (885). Het jaar begon bijzonder spectaculair met een massastranding van potvissen, direct gevolgd door enkele andere bijzondere soorten, terwijl de tweede helft van het jaar juist erg soortenarm was. Het aantal verschillende soorten bedroeg 6 (17 exemplaren), wat minder dan de laatste jaren (bijvoorbeeld 8 soorten in zowel 2010 als 2014). Het lag daarmee dicht bij het meerjarig gemiddelde van 4,8.

    Figuur 1. Aantal aangespoelde bruinvissen (oranje) en andere walvissen (blauw) in Nederland van 2000 tot en met 2016.

     

    Bijzondere soorten vooral in de eerste helft van het jaar

    Het viel op dat de bijzondere soorten – andere soorten dan bruinvis – in 2016 erg ongelijk over het jaar verdeeld waren. Als we ons realiseren dat het aanspoelen van een andere soort dan bruinvis een gebeurtenis is waarbij het toeval een grote rol speelt, is het bijzonder dat dit jaar bijna alle niet-bruinvissen geconcentreerd waren in de eerste vier maanden van het jaar: tot en met 6 mei maar liefst veertien dieren, daarna slechts drie! Vergelijken we dat met het patroon van strandingen van alle niet-bruinvissen, dan zijn er over de jaren heen sinds 1255 kleine piekjes te zien in de maanden november-januari (vooral veroorzaakt door witsnuitdolfijnen, tuimelaars en potvissen), en in juli-september (vooral gewone dolfijnen (augustus!), witsnuitdolfijnen en tuimelaars) (figuur 2). Hoewel witsnuitdolfijn bij veel mensen in het geheugen staat als een wintersoort, kwam 36% van de strandingen van deze soort op het conto van april-juli en meer dan de helft (54%) uit maart-oktober (n=229). Witsnuitdolfijnen strandden in het nabije verleden dus meer gespreid over het jaar dan alleen in de wintermaanden, met eigenlijk alleen lage aantallen in augustus-oktober. De laatste jaren spoelen witsnuitdolfijnen veel minder aan dan in de jaren 1980-1990 (bijna 60% van het totaal spoelde aan in 1980-2000). Gelukkig worden levende witsnuitdolfijnen nog altijd in de Nederlandse Noordzee waargenomen, zij het ver uit de kust.

    Figuur 2. Aantal aangespoelde walvisachtigen per maand over 1255-2016 opgesplitst voor drie soorten plus de rest (23 soorten, inclusief ongedetermineerde walvisachtigen), maar exclusief bruinvis.

    Het meest opvallende verschijnsel in 2016 was natuurlijk de massastranding van maar liefst zes potvissen, alle op Texel en vijf hiervan op 12 januari; nummer zes strandde twee dagen erna. 'Onze' massastranding was onderdeel van een stranding over een gebied dat zich uitstrekte van de Britse oostkust ter hoogte van Texel tot het Duitse waddengebied. In totaal zijn dertig exemplaren gestrand, terwijl er in dezelfde periode nog een levende potvis is gezien nabij de Doggersbank – mogelijk het exemplaar dat twee weken later aanspoelde op de Deense kust. De zuidelijkste potvis van dit dertigtal strandde op de noordwestkust van Frankrijk, in de monding van Het Kanaal; deze had dus bijna de uitgang naar de Golf van Biskaje gevonden. Zoals al eerder gemeld is dit niet alleen het hoogste aantal potvissen ooit in ons land, maar ook de omvangrijkste potvisstranding in de Noordzee in moderne tijden. Zie voor meer informatie ook het bericht over de stranding uit januari 2016. Naast al dit winterpotvisgeweld is op 6 mei op Schiermonnikoog een losse potvistand gevonden. Deze was curieus gebogen en opvallend smal en daarom vermoedelijk een tand uit de bovenkaak. Het is algemeen bekend dat potvissen tanden in de onderkaak hebben en dat die in de bovenkaak doorgaans niet zichtbaar zijn. Velen denken daarom dat tanden in de bovenkaak geheel ontbreken. Dat is niet terecht; ze komen zelden boven het tandvlees uit, maar zijn vaker aanwezig dan gedacht. In 1869 publiceerde Flower hier al over, gevolgd door een reeks andere auteurs. De meest recente zijn Toledo & Langguth (2015), die ook enkele foto's van bovenkaaktanden afbeelden.

    Januari had behalve de potvissen nog meer in petto, met maar liefst twee gestreepte dolfijnen op Ameland (19 januari) en een gewone dolfijn bij Zurich (31 januari). De gestreepte dolfijnen waren nummers tien en elf voor ons land. Vóór 2000 spoelden zes exemplaren van deze soort aan (de eerste in 1967, de tweede in 1987), sinds 2000 al vijf. Na de gewone dolfijn in januari waren er nog twee: een bij Harlingen (21 februari) en een bij Wassenaarse Slag (2 september). Dit bracht het landelijke totaal op 89. Drie in een jaar is tegenwoordig veel voor deze soort: in veertig jaar tijd, namelijk tussen 1960 en 2000, strandden er slechts zes, sinds 2000 al weer zeven. Zou gewone dolfijn, net als bruinvis, langzaamaan de zuidelijke Noordzee herontdekken? En rukt gestreepte dolfijn echt op met het opwarmen van het zeewater, of blijft het bij incidenten?

    Eveneens bijzonder waren de strandingen van twee, of misschien wel drie, gewone spitssnuitdolfijnen in 2016. De eerste (7 maart, Borssele) was een verse man, de tweede (10 september, Terschelling) een rotte. Beide zijn bewaard gebleven voor onderzoek. Ze hadden een lege maag, gebruikelijk voor deze soort op onze kust en te verwachten, omdat alle spitssnuitdolfijnen, net als potvissen, hun voedsel zoeken op grote diepte. Een dier dat hier terecht komt, heeft daarom bijna per definitie al dagen niet meer gegeten, of althans niet zijn gebruikelijke voedsel. Een derde spitssnuitdolfijn, die op basis van de verspreiding van soorten binnen deze lastig te determineren groep vermoedelijk eveneens een gewone spitssnuit betrof, dobberde op 24 april in de Westerschelde nabij Terneuzen. Het was een vrouwtje. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden kon deze niet worden bewaard, waardoor naast de doodsoorzaak, eventuele maaginhoud en parasieten, ook de soort onbekend blijft. Evenals opgemerkt bij gewone dolfijn is drie gewone spitssnuitdolfijnen in een jaar veel, want sinds 1900 strandt er gemiddeld maar één per tien jaar. Er is een duidelijke piek in de zomer, want 83% van de gewone spitssnuitdolfijnen strandt in juli-september (n=23). Het lijkt er daarom op dat de soort in dat jaargetijde een vorm van dispersie of trek vertoont, maar omdat deze dieren een uiterst geheimzinnig leven leiden is hier niets over bekend.

    Naast bovenstaande gevallen zijn twee vondsten dit jaar ongedetermineerd gebleven. Op de Hors op Texel is op 1 mei een deel van een schedel van een ongedetermineerde kleine walvis gevonden. Een niet nader gedetermineerde dolfijn dobberde op 13 augustus bij Ritthem en kon vanaf de wal worden gefotografeerd, maar spoelde helaas niet aan.

     

    Bruinvis

    Aantallen en doodsoorzaken

    Het hogere aantal walvissen in 2016 geeft natuurlijk aan dat er met name meer bruinvissen zijn aangespoeld dan in 2015. De meter liep op tot maar liefst 658. Dat is ongetwijfeld een teken dat er ook meer bruinvissen voor de kust waren dan in de jaren ervoor, want het aanspoelpatroon toont geen bijzondere afwijkingen van het meerjarig beeld (figuur 3): de hoogste aantallen zijn zoals gebruikelijk gevonden in maart, juli en augustus. De zomerpiek lag een fractie vroeger dan anders. Het aantal strandingen in juni, in totaal 67 dieren, was wat hoger dan normaal, in september-oktober waren er juist veel minder. Overigens varieerde het beeld tussen de vier deelgebieden: zo was de maartpiek voor 2016 goed zichtbaar in de Delta (0,39 bruinvissen per kilometer, het hoogste van het hele jaar in dit deelgebied en veel hoger dan 0,16 voor het meerjarig gemiddelde) en in mindere mate ook in Noord-Holland (0,11), maar was het maartgemiddelde op de Wadden juist wat lager dan in februari (0,21). Het aantal strandingen op de Zuid-Hollandse vastelandskust was in maart 2016 juist extreem laag (0,04, gemiddeld 0,15 voor dit deelgebied), zelfs het laagste van het hele jaar.

    Figuur 3. Aantal aangespoelde bruinvissen per maand (oranje staven, linker y-as, n=655) uitgezet tegen het gemiddelde per maand (blauwe lijn, in procenten, rechter y-as).

    Een en ander maakt nieuwsgierig naar het totale aantal bruinvisslachtoffers van grijze zeehonden, die met name verantwoordelijk zijn voor de piek in maart. We weten dat bruinvissen al jaren vooral eind maart ten prooi vallen bij de kop van Goeree. Uit een snelle analyse van alle foto's uit december 2015 en heel 2016 bleek bijna 25% van de aangespoelde bruinvissen te zijn verscheurd door een grijze zeehond (figuur 4). Dat komt opvallend mooi overeen met de 25% bij een analyse over de periode 2003-2013 (Leopold et al. 2014). De piek in maart van 75% (36 slachtoffers van 48 exemplaren in totaal) is in figuur 4 duidelijk zichtbaar, maar staat niet op zich: het lijkt eerder het einde van een langere periode van verhoogde predatie, die al begint in december 2015. Beschouw de grafiek echter niet als de absolute waarheid, want er zijn vele valkuilen. Zo is er misschien zelfs een onderschatting gemaakt omdat gave bruinvissen wel in deze analyse zijn meegenomen, maar dieren waarbij twijfel bestond (vaak rot of niet goed zichtbaar) niet. Het is daarnaast onbekend hoeveel bruinvissen secundair zijn doodgegaan aan een aanval door een grijze zeehond: zo is een aantal bruinvissen in betrekkelijk gave toestand aangetroffen, maar zijn er wel diepe krassen op de staartwortel zichtbaar die (zouden kunnen) wijzen op afdrukken van zeehondennagels. Tot slot is het aantal bruinvissen per maand betrekkelijk klein (gemiddeld 26 exemplaren, minimum 10 in oktober, maximum 48 in maart).

    Figuur 4. Maandelijks percentage bruinvissen in 2016 dat beschadigingen vertoont die wijzen op een aanval door een grijze zeehond. n=309 verschillende individuen

    Dat grijze zeehonden flink tekeer kunnen gaan, blijkt uit het aantal strandingen op één locatie, met name op Goeree, in de regio Ouddorp-Kwade Hoek: in de piekperiode spoelden daar dagelijks één of meer bruinvissen aan die aan flarden zijn gescheurd. Er zijn overigens meerdere grijze zeehonden die de truc onder de knie hebben, want soms worden op dezelfde dag, of binnen enkele dagen, verscheurde bruinvissen gemeld van verschillende locaties. Op plaatsen waar meerdere bruinvissen op een dag worden gevonden, zijn misschien wel meer dan één grijze zeehond actief. Vaste plekken liggen bij Ouddorp, bij Katwijk-Noordwijk, tussen Castricum en Bergen, en bij Ameland. Op geen enkele van deze locaties spoelen echter zoveel verscheurde bruinvissen aan als op Goeree. Bijna opvallend is in dit verband het ontbreken dit jaar van grijzezeehondslachtoffers bij de Zandmotor: in 2010-2015 kwam gemiddeld bijna 3% van alle bruinvissen uit het traject Hoek van Holland-Kijkduin en was een flink deel daarvan verscheurd (in 2014 zelfs ruim 4%), in 2016 kwam krap 1% van de bruinvissen uit deze regio en was maar 1 dier slachtoffer van een grijze zeehond. Gezien de cijfers gaat het dus waarschijnlijk steeds om één enkele grijze zeehond, naar verondersteld wordt steeds een volwassen mannetje, die zich specialiseert: als een dier een andere pleisterplaats zoekt of dood gaat, zijn de bruinvissen in deze omgeving veilig tot er zich een nieuwe boeman aandient. In hoeverre verscheurde bruinviskadavers verdriften voordat ze aanspoelen is natuurlijk niet bekend, maar vaak zijn dergelijk toegetakelde dieren kakelvers en komen ze dus niet van heel ver weg. De grote vraag blijft natuurlijk waarom grijze zeehonden vooral in maart (veel) bruinvissen pakken, en niet of veel minder in de andere maanden van het jaar.

     

    Verdeling over de kust

    In andere jaren werden de meeste bruinvissen gemeld uit het waddengebied, maar in 2016 was de Delta koploper met maar liefst 247 meldingen (38% van het totaal; in het waddengebied zijn 220 meldingen ontvangen, goed voor 33%; figuur 5). Uit Noord-Holland, waar traditioneel de minste meldingen vandaan komen, was het percentage weer exact op het niveau van voorheen (14%) en zijn 89 bruinvissen gemeld. In 2015 was het aantal bruinvissen uit Noord-Holland extreem laag met maar 36 exemplaren over het hele jaar en daarmee was ook het jaargemiddelde per kilometer voor dit deelgebied gezakt tot 0,4. In 2016 was dit weer wat hoger (1,0, figuur 5), maar nog niet op het niveau van daarvoor (was 1,4 over 2005-2014). Zuid-Holland week in 2016 niet veel af van het gemiddelde (102 bruinvissen, 16% van het totaal tegen 18% gemiddeld).

    Figuur 5. Aandeel gestrande bruinvissen voor de vier deelgebieden Wadden, Noord-Holland, Zuid-Holland) en Delta voor 2016 vergeleken met de periode ervoor. De getallen in de grafiek geven het gemiddelde per kilometer per jaar.

     

    Geslacht en leeftijd

    Over de jaren 2005-2016 is minder dan de helft van de bruinvissen gesekst (46%). Al jaren stranden er iets meer mannetjes dan vrouwtjes (59% over 2005-2016, n=3322). In 2005 lag het percentage net boven de 60%, maar door de jaren heen gaat het aandeel mannetjes langzaam aan naar beneden: van ruim 62% in 2004 naar 57% in 2016. In 2014 was het op een dieptepunt (43%). Binnen Nederland neemt het percentage mannetjes doorgaans af van zuid naar noord, of, anders gezegd, stranden er in het waddengebied iets meer vrouwtjes dan elders. In 2016 was het precies andersom, maar omdat de verschillen voor dit jaar vrij klein zijn (57,4% mannetjes in de Delta, 60,0% in het waddengebied, n=347 gesekste dieren) is het de vraag of het niet aan toeval is toe te schrijven.

    Figuur 6. Aandeel vrouwtjes per maand in 2016 (oranje) vergeleken met dat in 2005-2015 (zwart). n= 3322

    Het aandeel vrouwtjes varieert over het jaar. Normaal gesproken stranden er wat meer vrouwtjes in maart dan in andere maanden (figuur 6) en is gemiddeld genomen het aandeel vrouwtjes het laagst in de zomer en het hoogst in de winter. In 2016 was dit andersom, en zijn er naast een verhoogd aantal vrouwtjes in maart ook in juni en september veel vrouwtjes gemeld. In 2016 leken het er in januari, februari en december juist opvallend weinig, maar in die maanden zijn maar zeer weinig bruinvissen gesekst (december-februari respectievelijk 18, 6 en 15). In de zomer gaat het echter om enkele tientallen gesekste dieren per maand (juni-september 164 bruinvissen). Er leken vooral wat meer adulte vrouwtjes betrokken bij deze zomerstranding (45% groter dan 129 cm, n=47, normaal 39%, n=446).

    Gebaseerd op lengte zijn er minder subadulte dieren gevonden dan in andere jaren (figuur 7). Dit komt vooral op het conto van de mannetjes: 49% (n=67) in 2016 tegen 60% (n=1358) over 2005-2015. De jongensterfte was in 2016 iets lager dan in voorgaande jaren (16% tegen 22%).

    Figuur 7. Leeftijdsverdeling in 2016 ten opzichte van de voorgaande periode. Jong = <100 cm, subadult = 100-129 cm, adult ≥130 cm.

     

    Meer foto's gevraagd

    Het is met name uit het verhaal over predatie van grijze zeehonden op bruinvissen duidelijk dat fotograferen van dode bruinvissen van belang kan zijn. Veel mensen maken van een dode bruinvis maar één foto. Het is echter aan te raden om van álle dode bruinvissen (dus ook rotte, gave, jonge, incomplete, enzovoort) meerdere foto's te maken, bij voorkeur ten minste vier: van de bovenkant, van beide zijkanten en van de buik. Hoewel het in sommige gevallen misschien geen aangenaam karwei is, kan een bruinvis doorgaans betrekkelijk eenvoudig met de voet op de andere zijde worden gerold, desnoods met een stuk hout, bos zeewier, plastic zak of handje zand tussen de schoen en het dier. Als de buik zichtbaar is, is het bovendien mogelijk om het dier vanaf de foto te seksen. Om inzicht te houden in de ecologie van bruinvissen in Nederlandse wateren, is het seksen van bruinvissen ook van belang: veranderingen in de geslachtsverhouding kunnen immers een aanwijzing zijn dat er veranderingen in het milieu plaatsvinden.

     

    Minder melders in Noord-Holland

    Naast een aantal vaste melders, die per persoon of instantie in 2016 elk weer vele tientallen meldingen hebben gedaan, zijn er daarnaast velen geweest die een of enkele meldingen hebben gedaan. Een aantal daarvan heeft zijn of haar dode bruinvis gemeld op waarneming.nl, al of niet met foto. Dankzij het samenwerkingsverband tussen Naturalis en waarneming.nl komen die bruinvissen ook in de landelijke database terecht. Een vrij grove schatting van het aantal melders in 2016 komt uit op bijna tweehonderd verschillende personen en instanties! Al deze waarnemers worden uiteraard weer hartelijk bedankt voor hun medewerking. Daarnaast nemen vooral de vaste waarnemers ook de moeite om gestrande bruinvissen te melden bij de Universiteit van Utrecht, en zijn ze niet te beroerd om een bruinvis persoonlijk, desnoods bij nacht en ontij, daar naartoe te brengen zodat hij snel onderzocht kan worden.

    Een zorgenkindje wat betreft meldingen is tegenwoordig de kust van Noord-Holland, met name de trajecten Wijk aan Zee-Castricum en Schoorl-Den Helder. Tot in 2015 was Arnold Gronert drijvende kracht voor de Noordkop. Zelf bezocht hij dagelijks (!) het traject Petten-Camperduin, maar hij onderhield ook een netwerk van mensen die meldingen aan hem doorgaven, zoals dat nog altijd in Zuid-Holland en Zeeland gebeurt. Nu Arnold is gestopt zijn de regelmatige meldingen uit dat gebied opgedroogd. Vanuit Naturalis wordt wel gepoogd mensen te bewegen om meldingen te doen, maar een lokale 'spin in het web' is nog niet gevonden. Hier ligt dus een mooie taak te wachten op een vrijwilliger met hart voor de Noordzee!

    Dit jaaroverzicht is ook hier te downloaden als pdf.

                                                                                                                                                                                                               Guido Keijl, Naturalis

     

    literatuur

    Flower W.H. 1869. On the osteology of the cachalot or sperm whale (Physeter macrocephalus). Transactions of the Zoological Society 6: 302-372.

    Leopold M.F., L. Begeman, J.D.L. van Bleijswijk, L.L. IJsseldijk, H.J. Witte & A. Gröne 2014. Exposing the grey seal as a major predator of harbour porpoises. Proceedings of the Royal Society B 282: 20142429.

    Toledo G.A.C. & A. Langguth 2015. Maxillary teeth in sperm whales, Physeter macrocephalus (Cetacea: Physeteridae). Journal of morphological sciences 32: 212-215.