Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2019

    Jaaroverzicht walvisstrandingen 2012

    Hoewel dit jaaroverzicht pas begin maart is geschreven en geplaatst, zijn nog steeds niet alle strandingen ontvangen. Gelukkig melden de meeste mensen hun strandingen direct. Daarom wil ik in plaats van aan het eind van dit overzicht al aan het begin alle mensen bedanken die dode walvissen vrijwillig hebben gemeld aan walvisstrandingen.nl Zonder hun hulp is het onmogelijk om een gedegen landelijk overzicht te krijgen. Daarnaast was er ook dit jaar weer plezierige samenwerking met vele vele anderen.

    Er zijn in 2012 729 walvisachtigen in 6 soorten gemeld. Vers in het geheugen staat natuurlijk nog de bultrug die op 12 december strandde op de Razende Bol bij Texel. Dit was alweer de zevende voor ons land. Het lijkt daarom niet meer zo bijzonder, maar dat is het wel: bedenk dat de oudste walvis in de database dateert van 1255, terwijl de eerste bultrug voor ons land van 2003 dateert. Bultrug nummer 6 werd overigens ook in 2012 gemeld, maar dat betrof alleen een losse wervel die door een pierenboot in de Waddenzee is opgevist. Deze bultrug is dus wel in de zuidelijke Noordzee aan zijn einde gekomen, maar zonder dat iemand dat in de gaten had.

    In 2012 zijn 2 gewone vinvissen gemeld. In ieder geval een ervan was geen echte stranding, maar mogelijk geldt dat voor beide: het eerste exemplaar is op 15 januari gevonden bij Vlissingen en betrof nummer 31 voor ons land. Een vondst van een grote walvis nabij een haven is altijd verdacht, want het zal niet de eerste keer zijn dat een al of niet dode vinvis door een schip wordt opgepikt en mee de haven in vaart. Gewone vinvis nummer twee van 2012 is het bewijs voor deze stelling: die werd al gezien toen hij - reeds dood - op de boeg van een schip liggend op 6 juni de haven bij Rotterdam invoer.

    De derde grote walvis van 2012 was de potvis die vrijwel tegelijkertijd met de bultrug aanspoelde, eveneens op de Razende Bol bij Texel. Deze was echter dood en genereerde daarom veel minder aandacht. Deze potvis betrof al nummer 66 voor Nederland, hoewel bij dit getal ook enkele botvondsten zijn meegeteld. Overigens dient men zich te bedenken dat het getal van 66 potvissen minder indrukwekkend is dan het lijkt. De oudste potvis in de database is die van 1255. Als we ervan uitgaan dat het overzicht voor deze soort redelijk compleet is, berekenen we dat er gemiddeld dus iets minder dan 1 potvis per 10 jaar aanspoelt. Dat is pas bewijs dat de soort hier echt niets te zoeken heeft.

    Tuimelaar kwam hier vroeger 'gewoon' voor, maar dat is al lang niet meer zo. De vondst van een tuimelaar op Vlieland op 14 april is dan ook wat minder spectaculair dan het lijkt: er werd alleen een onderkaak gevonden. Ongetwijfeld allang vergeten, maar tegenwoordig toch bijzonder, was de kakelverse, maar helaas dode witsnuitdolfijn van 3 januari te Zoutelande. Naast deze gedetermineerde dieren zijn er dit jaar ook weer botten gevonden die wij (nog) niet zelf in handen hebben gehad, en waarvan de determinatie voorlopig op onzeker blijft staan: op 1 januari is een onderkaak gevonden van een grote dolfijn bij Zandvoort, mogelijk van een tuimelaar, en op 17 september eveneens een onderkaak van een grote dolfijn bij Wassenaar, wederom mogelijk van tuimelaar. Bij beide is echter witsnuitdolfijn nog niet uitgesloten.

    Interessant is een vergelijking van beide laatste soorten (figuur 1): tuimelaar had vroeger een populatie in de zuidelijke Noordzee, maar verdween in de jaren 1960. Witsnuitdolfijn werd toen juist wat algemener. Tegenwoordig lijkt het wel alsof het aantal strandingen van witsnuitdolfijn weer afneemt. Het aantal tuimelaarmeldingen is natuurlijk te gering om er iets zinnigs over te melden: na de exemplaren in 1983 was er opnieuw 1 in 1991, en erna 3 tot en met 2012 - waarvan overigens van 2 exemplaren van elk slechts één bot. Toch worden er de laatste jaren ook weer wat levende tuimelaars gezien, na decennia van afwezigheid, dus wie weet wat de toekomst gaat brengen.


    Figuur 1. Strandingen van tuimelaar (oranje) en witsnuitdolfijn (blauw) in Nederland sinds 1900.

    De talrijkste walvis in 2012 was natuurlijk de bruinvis, met 720 dieren. Na de megastranding van bruinvissen in 2011, met 866 gevallen, lijkt dat dus mee te vallen. Zien we echter de strandingen in perspectief, dan constateren we dat het aantal gestrande bruinvissen op de Nederlandse kust nog altijd blijft stijgen (figuur 2).


    Figuur 2. Strandingen van bruinvis in Nederland sinds 2000.

    Vergeleken met het strandingspatroon per maand waren het opnieuw de (na)zomermaanden die relatief hoog scoorden (figuur 3). De meeste jaren vertonen twee pieken, een in maart en een in augustus (blauwe lijn in figuur 3). Gemiddeld over de jaren is de augustuspiek het hoogst, maar dat kan per jaar verschillen. Tezamen zijn maart en augustus normaal gesproken goed voor 30% van het jaartotaal. 2012 zat daar duidelijk onder, met maart en augustus samen 21% van het jaartotaal. Dit keer waren het juist juist de maanden juli en september met hoge aantallen (samen 30% van het jaartotaal). Dat is een echo van de massastranding van 2011, toen er ook een uitgebreide piek was in de nazomer, die liep van juli tot oktober, waarin maar liefst 65% van het jaartotaal bruinvissen aanspoelde. In 2012 was dat over juli tot oktober wat minder, maar nog altijd 50% van het jaartotaal. Hopelijk wordt dat geen trend. Het blijft overigens vragen oproepen, zon zomerstranding, want vanaf de kust worden de meeste bruinvissen in het winterhalfjaar gezien. Dat doet vermoeden dat bruinvissen 's zomers verder uit de kust verblijven. Waarom er in de zomer dan toch zo veel meer aanspoelen dan 's winters blijft onduidelijk. Er is in die periode niet meer westelijke wind dan in andere tijden van het jaar.


    Figuur 3. Strandingen van bruinvis in Nederland in 2012 per maand (oranje staven, linker y-as) en percentage bruinvisstrandingen per maand over 2005-2011 (percentages, blauwe lijn, rechter y-as).

    Uit het waddengebied zijn dit jaar (vooralsnog) 163 bruinvissen gemeld, uit Noord-Holland inclusief Texel 205, uit Zuid-Holland 133 (vanaf de zuidpier van IJmuiden tot aan Hoek van Holland) en in de Delta inclusief Maasvlakte 288. Er lijkt een flinke verschuiving te zijn opgetreden: werd in de voorgaande jaren ruim een derde van de dode bruinvissen gemeld uit het waddengebied, in 2012 was dat (maar) een vijfde (figuur 4, tabel 1). De hoofdmoot van de bruinvissen werd dit keer gemeld uit het Deltagebied, terwijl het aandeel van de Hollandse kust gelijk bleef. Hetzelfde geldt voor het gemiddelde aantal bruinvissen per kilometer kustlijn: in het zuiden gestegen, in het noorden afgenomen.

     
    Figuur 4. Bruinvisstrandingen (%) per deelgebied in 2012 en gemiddeld voor 2005-2011.

    Het is nog onbekend of dit een werkelijke verschuiving betekent, of dat het te maken heeft met de meldfrequentie uit het waddengebied. De waarnemingsinspanning in het Deltagebied is al jaren onverminderd hoog, voor het waddengebied is dit moeilijker in te schatten. Bedenk dat het waddengebied enorm uitgestrekt is en er op delen van de eilanden zelden of nooit mensen komen.

    Tabel 1. Gemiddelde aantal gestrande bruinvissen per kilometer per deelgebied. 

      gemiddeld per kilometer  
      2012 2005-2011
         
    Wadden 1,5 1,5
    Noord-Holland 2,3 1,4
    Zuid-Holland 2,2 1,2
    Delta 2,5 1,0

    De Delta toont het klassieke bruinvisstrandingenbeeld, met pieken in maart en augustus en dipjes waar we ze verwachten (figuur 5, en vergelijk met blauwe lijn in figuur 3). De Hollandse kust wijkt ervan af: die toont een forse strandingenpiek in februari, een dal in maart en erna oplopende aantallen tot in september. De Wadden hebben relatief hoge aantallen in de eerste helft van het jaar en de hoogste aantallen in juni. Het is verleidelijk die laatste piek toe te schrijven aan vakantiegangers, maar als de vakantie echt losbarst, vanaf begin juli, is het aandeel juist opvallend laag. Dit zou erop kunnen wijzen dat de bruinvissen met name in de zomer verder zuidelijk zaten dan tot nog toe gebruikelijk was

     
    Figuur 5. Bruinvisstrandingen per deelgebied per maand in 2012.

    Net als in andere jaren was er een licht overschot aan mannetjes (59%, n = 388 gesekste dieren). Het aandeel was het hoogst in de Delta (66%) en nam, zoals ook in andere jaren gebruikelijk is, naar het noorden toe af. In Noord-Holland waren dit jaar veel minder mannen dan vrouwen (47% man, n = 103), in het waddengebied weer iets meer (56%).

    Vrouwtjes waren gemiddeld langer dan mannetjes (135 versus 118 cm, n = 309 gemeten bruinvissen). Het verschil wordt uiteraard vooral door de grootste dieren veroorzaakt: er zijn 14 mannen gemeten (of geschat!) van 150 cm of meer, de grootste was zelfs 182 cm. Dat is uitzonderlijk groot voor een bruinvis, en al helemaal voor een mannetje; de volgende grote bruinvisman was maar liefst ruim 20 cm kleiner. Het aantal vrouwtjes van 150 cm of meer was twee keer groter dan mannetjes van die lengtecategorie (30 stuks). Ook hierbij is overigens een aantal niet precies gemeten maar geschat, net als bij de mannen. Vanaf een lengte van ongeveer 130 cm zijn bruinvissen volwassen. Volwassen mannetjes maakten 16% uit van het totale aantal mannetjes, bij vrouwtjes was dat aandeel maar liefst 35%. Gezamenlijk werd dus bijna een kwart van alle strandingen ingenomen door volwassen dieren. De jongensterfte, gemeten als het aandeel bruinvissen kleiner dan 100 cm in de periode mei-oktober bedroeg 10% en was voor mannetjes en vrouwtjes vrijwel gelijk.