Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2019

    Jaaroverzicht walvisstrandingen 2011

    Wat aantal soorten betreft was ook 2011 weer bijzonder: er zijn zeven soorten gemeld. Op 16 april werd een wervel gevonden van een potvis op Rottumeroog. Dit is natuurlijk geen stranding van een complete potvis, maar omdat het dier in de buurt is doodgegaan is het bot een getuige van het voorkomen van de soort in onze omgeving. Uiteraard ligt de Noordzee vol met walvisbotten en zal zoiets nog wel vaker voorkomen. Op 13 november liep er een levende potvis aan de grond op de Hinderplaten, voor de kust bij Voorne. Deze is vlotgetrokken door allerlei goedbedoelende lieden en het dier is weggezwommen. Twee dagen later strandde er een potvis te Pellworm in Duitsland. Hoewel de pers beweerde dat dit hetzelfde dier was als 'de onze' is dit geenszins zeker. Op de foto's die van de Voornse potvis zijn gemaakt is niet veel meer te zien dan een stukje rug. Om zeker te zijn dat beide dieren een en dezelfde waren, moeten toch littekens en andere karakteristieken van ten minste rug- en staartvin bestudeerd worden. Het is niet de eerste keer dat er een groep(je) potvissen in de zuidelijke Noordzee terechtkomt waarvan de dieren verspreid over een groter gebied stranden en dat kan ook hier niet worden uitgesloten ..... net zo min als het tegendeel overigens. De hier vermelde potvissen waren nummers 63 en 64 voor ons land en de vijfde/zesde sinds 2000. Je zou kunnen denken dat de soort dus regelmatig voorkomt, maar het blijft een bijzonder zeldzaam dier; vier van deze zes strandden in 2004.

    Eveneens bijzonder was de gewone vinvis die op 30 augustus te Vlissingen werd gevonden. Dit was al onze 30e, maar een bewijs van voorkomen in ons land was het eigenlijk niet, want het dier was aangevoerd op de boeg van een schip dat via de golf van Biskaje naar Nederland was gevaren. Omdat bij het ontleden van het kadaver was vast komen te staan dat de vinvis bij aanvaren nog in leven was, is het waarschijnlijk dat hij ten zuiden van het Kanaal door het schip is 'opgepikt'. Een soort die wel in de Nederlandse Noordzee thuishoort is de dwergvinvis, waarvan nummer 31 voor ons land rot aanspoelde te Breskens op 3 april. Een met het potvisbot vergelijkbaar geval deed zich voor met een gewone spitssnuitdolfijn, waarvan een gelukkige strandwandelaar een wervel opraapte op 10 augustus te Ameland (nummer 19 voor Nederland). Een levende gewone dolfijn strandde op 17 april te Oostvoorne (de 76e, maar pas de derde sinds 2000). Het dier was niet in goede conditie en overleed de nacht erop. Tot slot strandden er in 2011 maar liefst vierwitsnuitdolfijnen (nummers 212-215 voor Nederland): op 14 april op Terschelling (maar determinatie van dit dier is nog niet zeker), op 12 juni te Ameland (levend gestrand, teruggeduwd, opnieuw gestrand, opgevangen door SOS Dolfijn en overleden op 12 december 2011), op 12 juni te Bloemendaal en op 4 december bij Den Helder (levend gestrand, overleden op 5 december 2011). Ook was er een bijzondere vondst van een 'witfluitdolfijn', een ingedroogde penis met twee bekkenbeentjes van een witflank- of witsnuitdolfijn, op 27 april te Ameland. Alice van Duijn heeft er nogal wat werk aan gehad om erachter te komen waar het 'vreemde apparaat' van afkomstig was en heeft er een fraai verhaal over geschreven, dat te lezen is op natuurinformatie.nl. Naast al dit bijzonders was ook de bruinvis weer alom vertegenwoordigd. Zeven soorten walvissen in één jaar is bijzonder veel: in 2008 waren dit er vier, in 2009 zes en in 2010 acht. Gerekend vanaf 1950 strandden er gemiddeld slechts vier soorten per jaar. 2010 was dus extreem 'goed' en de enige andere jaren met zeven soorten waren 1935 en 2006. Zoals boven vermeld zijn ook dit jaar weer twee levende walvissen teruggeduwd in zee: de potvis bij Stellendam en de witsnuitdolfijn bij Ameland. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat dit geen goede zaak is. Een walvis strandt alleen als er iets niet in orde is. Het dier terugduwen heeft niet alleen geen zin, je doet hem er geen plezier mee. Het verdient aanbeveling om bij een stranding van een levende walvis er subiet een gespecialiseerde dierenarts bij te halen om de situatie te beoordelen, ook al kan dat even tijd kosten en is het ongewtijfeld geen prettig gezicht om in de tussentijd naar de spartelende walvis op het droge te kijken. Kijk voor eerste hulp bij een gestrande walvis op hier. Belangrijk is vooral om het dier rust te bieden en stress te voorkomen.

    Hoewel 2011 door de zoogdiervereniging was uitgeroepen tot jaar van de vleermuizen, zal het voor velen toch vooral het jaar van de dode bruinvissen geweest zijn. Half februari 2012 staat de teller op 849 stuks. Mogelijk zit er een enkele dubbeltelling tussen, maar omdat nog altijd niet alles binnen is, zal het uiteindelijke aantal toch nabij de 850 uitkomen. Dat is ongelooflijk veel, gezien de getallen van de afgelopen jaren (545 in het extreme jaar 2006 en in de jaren 2007-2010 achtereenvolgens 336, 345, 510 en 437). De maanden januari-juni verliepen min of meer normaal (tabel 1), maar in juni ging het los, ook al waren het in die maand nog wel iets minder dan in juni 2006 (toen 48).

     

       2011  2005-2010
     januari  24  26
     februari  38  33
     maart  43  51
     april  43  37
     mei  32  30
     juni  43  32
     juli  113  37
     augustus  206  56
     september  128  32
     oktober  102  29
     november  23  26
     december  54  24

    Tabel 1. Aantal gestrande bruinvissen per maand en het maandgemiddelde over de jaren 2005-2010.

    Het aantalsverloop is nog eens weergegeven in figuur 1: normaal gesproken zijn er twee pieken in het jaar te zien, namelijk in maart en augustus, waarbij elk zo'n 12-14% van het jaartotaal bedraagt (zie bijvoorbeeld de grafiek in het jaaroverzicht 2010). In 2011 viel de voorjaarspiek echter volledig in het niet bij de zomerpiek, die bovendien duurde van juni tot oktober. Pas in november waren de aantallen weer 'normaal', maar in december werden we opnieuw geconfronteerd met een piek: er strandden wederom twee keer meer bruinvissen dan gemiddeld.

    Figuur 1. Strandingspatroon van bruinvissen per maand in 2011 (in procenten).

    Het leek er op alsof de aanspoelgolf vanuit het zuidwesten kwam en zich langs de kust naar het noorden toe verplaatste. Dit is met enige verbeelding ook wel te zien in figuur 2, want het lijkt erop alsof de strandingspiek langs de Hollandse kust (middelste grafiek) iets naar rechts verschoven is ten opzichte van de Delta (bovenste). Inderdaad begon de strandingsgolf in de Delta eind juni, terwijl hij toen nog niet langs de Hollandse kust was gearriveerd. Uit gesommeerde percentages wordt het nog iets duidelijker, want langs de Hollandse kust strandde 23% van het totaal in september, terwijl het aantal in de Delta toen alweer was afgenomen: in september strandde daar 19%. Vanwege deze noordwaarts gerichte 'golf' is wel gesuggereerd dat de bruinvissen van buiten Nederlandse wateren afkomstig waren. Bovendien waren veel kadavers rot, wat betekent dat ze verder uit de kust zijn doodgegaan. Recent is het voedselonderzoek afgerond aan deze zomerstrandingsdieren. Hopelijk kan dat, in combinatie met de resultaten van de in Utrecht uitgevoerde secties, meer duidelijkheid verschaffen over deze bijzondere gebeurtenis.

    Figuur 2. Percentage aangespoelde bruinvissen voor de Delta (bovenste grafiek), Hollandse kust (midden) en Wadden (onder) per decade.

    Al eerder is bij bespreking van strandingsresultaten een relatie gelegd met aanlandige wind. We kunnen ons nog wel herinneren dat de zomer van 2011 koel en winderig was, met overwegend zuidwestelijke wind. Dit is misschien ook de verklaring voor het wat afwijkende strandingspatroon op de Wadden, want bij een zuidwestelijke wind is de stroming daar aflandig. Synchroon met de windkracht namen eind september ook de aantallen bruinvissen op 't strand af, maar begin oktober blies de wind weer fors uit het westen  ..... en was er opnieuw een piek. Ook deze werd in het Waddengebied opgemerkt. Als we inzoomen op dit minipiekje lijkt het overigens vooral veroorzaakt te zijn door de stevige bries uit zuidwest tot noordwest van 6-8 september, want in die drie dagen spoelden 27 bruinvissen aan (waarvan 10 op de Hollandse kust). Over het hele jaar beschouwd zijn er evenveel bruinvissen gemeld van de Hollandse kust en de Wadden (312 en 314, elk 37%) en iets minder uit het Deltagebied (26%). Omgerekend naar dichtheden zijn er echter met name in Noord- en Zuid-Holland veel aangespoeld (tabel 2), terwijl er ten opzichte van het gemiddelde uit vorige jaren ook relatief meer in de Delta zijn aangespoeld dan in het noorden van het land.

    Tabel 2. Dichtheid van bruinvissen op de Noordzeekust van de drie deelgebieden, uitgedrukt als aantal per kilometer, zowel voor 2011 als voor de jaren ervoor tezamen.

     

     

     2011

     2005-2010

     Delta

     1,7

     0,5

     Holland

     2,6

     1,0

     Wadden

     1,9

     1,1

     

    Zoals gebruikelijk was er een licht mannenoverschot (58%, figuur 3, n = 442), dat van zuid naar noord afnam: het hoogst in de Delta (61%), het laagst op de Wadden (47%). Het is wat lager dan het gemiddelde over 2005-2010 (60%, n=1573). Ook dit jaar waren mannen gemiddeld kleiner dan de vrouwen (111 versus 123 cm, n=566). De jongensterfte (gemeten als aandeel exemplaren kleiner dan 100 cm) bedroeg dit jaar 18% (n=566). In de jaren sinds 2006 schommelde dit steeds tussen 18-22% (n=1539). In 2005 was het maar 12%, maar in dat jaar was de steekproef veel kleiner (228 exemplaren).

    Figuur 3. Percentage mannetjes per jaar.

    Ook dit jaar was er weer een bijzonder groot aantal mensen dat de moeite nam hun waarnemingen aan ons door te geven. Daarnaast zorgden diverse lieden ervoor dat de bruinvissen bewaard bleven voor onderzoek en dat er foto's toegevoegd konden worden aan de landelijke database, zodat ook later nog de toestand van de kadavers beoordeeld kan worden. Alle mensen die op welke wijze dan ook hebben bijgedragen wederom hartelijk bedankt, want zonder jullie is een dergelijke landelijke registratie niet mogelijk!