Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2019

    Jaaroverzicht walvisstrandingen in 2009

    Wat walvisstrandingen betreft is 2009 wat spectaculairder verlopen dan 2008: het totaal is geëindigd op 484 exemplaren. Er zijn maar liefst zes soorten walvisachtigen gevonden: naast de alomtegenwoordige bruinvis ook een dwergvinvis (2 augustus te Ritthem, het 29e exemplaar voor Nederland), een bultrug (8 oktober op Ameland, vierde (dode) exemplaar voor Nederland), een gewone spitssnuitdolfijn (4 oktober op de Maasvlakte, zestiende exemplaar voor Nederland) en de welhaast obligate witsnuitdolfijnen (26 december op de Maasvlakte en 27 december twee op Ameland, nummers 194-196 voor Nederland). Daarnaast is er ook een heuse orka gevonden, maar deze telt misschien niet helemaal mee, omdat het om een losse, subfossiele schedel ging (12 september Scheveningen, 28e exemplaar voor Nederland). In 2008 zijn er 'maar' drie walvisachtigen gemeld: naast bruinvissen drie witsnuiten en één witflankdolfijn. Topjaar was 2006, met maar liefst zeven soorten: naast bruinvis ook witsnuitdolfijn, witflankdolfijn, gewone dolfijn, gestreepte dolfijn, griend en gewone vinvis.

    In feite zijn alle walvisachtigen anders dan bruinvissen zeer spectaculaire vondsten, ook al heten sommige 'gewone'. Langs onze kust is tegenwoordig alleen de bruinvis echt gewoon. De Nederlandse kustwateren lopen geleidelijk af en het het water in de zuidelijke Noordzee is nergens diep. Verschillende walvisachtigen zoeken voedsel in diep water en kunnen daarom bij ons geen voedsel vinden. Dat geldt zeker voor een diepduikende soort als de gewone spitssnuitdolfijn. Deze soort komt wel in de Noordzee voor, maar met regelmaat alleen helemaal in het noorden. De gewone spitssnuitdolfijn die - nota bene levend! - strandde op de Maasvlakte, was dus een flink eind uit de buurt.

    Gemiddeld strandden er sinds 1990 ruim vijf witsnuitdolfijnen per jaar. Zowel in 1990 als in 2000 waren dat er zelfs elf. Sinds 2000 stranden er echter steeds minder. Zou er iets aan de hand zijn? Op zich is het verheugend - als er minder gevonden worden, gaan er misschien ook wel minder dood. Of zouden er minder witsnuitdolfijnen in de zuidelijke Noordzee terecht komen? Anderzijds zijn de gestrande aantallen van deze soort zo klein dat het beeld dat de grafiek laat zien misschien wel toevallig is: eentje meer of minder op een gemiddelde van slechts vijf maakt natuurlijk nogal uit en ook in de jaren 1990 waren er flinke schommelingen.

    Het jaar 2009 is wat bruinvisstrandingen betreft geëindigd als het op twee na 'beste' jaar, met 478 strandingen. Alleen in 2006 zijn meer dode bruinvissen geteld, namelijk 537. De meeste strandingen kwamen van de Waddeneilanden (ruim 40%), gevolgd door de vastelandkust van Noord- en Zuid-Holland (35%). De Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden waren goed voor bijna 25% van het totaal. Vergeleken met de periode 1997-2007 (Camphuysen et al. 2008) zijn er in 2009 duidelijk minder strandingen geweest in zowel de Delta als op de vastelandkust.

    De laatste jaren tonen de bruinvisstrandingen steeds hetzelfde beeld: veel in maart en augustus en minder in de zomer- en wintermaanden. 2009 week iets af van dit patroon, doordat de maartpiek al in februari begon en de zomerpiek dit keer over de maanden juli-september uitgesmeerd was. Naar de oorzaken kunnen we alleen maar gissen. In de periode februari-begin april zien zeevogeltrektellers veel bruinvissen, erna zien ze tot in het najaar vrijwel geen bruinvissen en pas vanaf eind november komen er weer meer (zie http://home.planet.nl/~camphuys/Bruinvis.html). Hoe het nou precies komt dat bruinvissen wel stranden in de zomer maar vanaf de kust niet worden gezien is het volgende raadsel. Indertijd is geopperd dat bruinvissen 's zomers verder uit de kust verblijven; er zouden er dan dus niet minder zijn dan 's winters. Aan de andere kant lijkt zich in het voorjaar een golf van trekkende bruinvissen langs onze kust naar het noorden te bewegen, althans dat is wat de zeetrektellers registreren. De bruinvissen die 's zomers aanspoelen, spoelen in het zuidelijk deel van ons land net zo goed aan als elders. Raadsel nummer drie dus.

    De bruinvissenmelders noteren op het strand naast versheid en toestand van het kadaver als het even mogelijk is ook geslacht en lengte. Een ruwe uitwerking van deze gegevens laat zien dat over de periode sinds 2005 mannen net iets vaker stranden dan vrouwen. In 2009 lag het percentage mannen echter wat lager dan in de jaren ervoor. Er strandden iets grotere vrouwtjes dan mannetjes (in 2009 ruim 122 cm tegen 116 cm). Overigens geldt dat we pas weten of deze verschillen reëel zijn als ze statistisch getest worden. Hetzelfde geldt voor lengteverschillen tussen jaren. Zo lijkt het alsof 2006, het jaar met de meeste strandingen, bruinvissen gemiddeld wat kleiner waren dan in de jaren ervoor en erna. Het is mogelijk dat in 2006 werkelijk kleinere bruinvissen voor onze kust aanwezig waren dan in andere jaren, maar het zou net zo goed veroorzaakt kunnen zijn omdat er bijvoorbeeld relatief veel jongen strandden; dit alles zijn speculaties en het is niet aan de hand van de database uitgezocht. Het wachten is op de gegevens van de secties, waar de juiste sekse en exacte lengtes worden genoteerd en waar hopelijk bovendien allerlei andere wetenswaardigheden vandaan komen, zoals mogelijke doodsoorzaken, uit- of inwendige verwondingen, afwijkingen, informatie over voedsel, zwangerschappen enzovoort. Tot die tijd is het voor de strandvonders: noteren en bewaren. Overigens ook voor de periode erna, want hoe langer we doorgaan met gegevens verzamelen, hoe interessanter het wordt.

    Voor de meldingen van dode zeezoogdieren zijn we volledig afhankelijk van de melders. Met name de niet aflatende inzet van de mensen die de bruinvissen van het strand halen, ze in een vriezer deponeren of naar de destructie brengen en vervolgens de gegevens aan Naturalis melden, vaak vergezeld van een of meer foto's, worden zeer gewaardeerd. Ik wil daarom hierbij iedereen bedanken voor zijn of haar bijdrage aan de walvissendatabase.

    Literatuur:

    Camphuysen C.J., C. Smeenk, M. Addink, H. van Grouw & O.E. Jansen 2008. Cetaceans stranded in the Netherlands from 1998 to 2007. Lutra 51: 87-122.