Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2019

    Jaaroverzicht 2018

    Het jaar 2018 is wat walvisstrandingen betreft wat saai verlopen. Er zijn geen momenten geweest met extreem veel strandingen en er zijn maar drie bijzondere soorten gestrand. Daarnaast is het jaartotaal van 468 strandingen ruim lager uitgekomen dan het meerjarig gemiddelde van 562 (figuur 1). In recente jaren was alleen het jaartotaal van 2015 nog lager (namelijk 309) en we moeten terug tot 2010 om bij nog meer lagere jaartotalen uit te komen. De meerjarentrend in strandingen is weliswaar nog altijd stijgend, maar dat wordt vooral veroorzaakt door de hoge aantallen in de jaren 2011-2013. Overigens moeten we niet te veel conclusies verbinden aan jaartotalen en trends: het ene jaar is het andere niet en we weten uit het verleden dat wat trends lijken te zijn zomaar kunnen omslaan. Dat het jaar ‘saai’ is verlopen kan ook geïnterpreteerd worden als gunstig: minder dode dieren op het strand zou ook kunnen betekenen dat er minder dieren zijn doodgegaan dan in andere jaren.

     

    figuur 1. Strandingen van bruinvissen (oranje) en andere walvissoorten (blauw) tussen 2000-2018. De stippellijn is het gemiddelde over 2005-2018.

     

    weinig bijzondere soorten gestrand

    Het blijkt eigenlijk pas na zo’n jaar als 2018 hoe we de afgelopen jaren verwend zijn geweest met bijzondere soorten walvissen op het strand. Sinds 2000 zijn er, naast bruinvis, nog 13 andere soorten vastgesteld, met als topjaren 2010, 2014 en 2017, elk met maar liefst 7 soorten! Ook gemiddeld per jaar zijn er sinds 2000 iets meer dan 5 soorten gevonden, dus inclusief bruinvis. Het jaar 2018 was wat dat betreft een teleurstelling: er zijn maar 4 soorten vastgesteld. Je zou zeggen dat hoe meer strandingen er plaatsvinden, hoe groter de kans is dat er ook een andere soort dan bruinvis tussen zit, maar dat is niet het geval: er blijkt geen enkele samenhang te zijn. Het aanspoelen van een andere soort dan een bruinvis is dus geheel toevallig.

    De bijzondere soorten in 2018 waren de gewone dolfijn van Westenschouwen op 16 april, de levende potvis bij Petten op 26 juni en de griend bij Egmond aan Zee op 18 november. ‘Grote afwezigen’ waren dus dwergvinvis (9 exemplaren sinds 2010) en witsnuitdolfijn (8 exemplaren sinds 2010).

    De gewone dolfijn was de 91e voor ons land. Het werkelijke aantal is vast wat hoger,omdat in de database nog 45 ongedetermineerde dolfijnen zitten. In de jaren 1925-1955, toen er een populatie gewone dolfijnen in de Noordzee leefde, spoelden er regelmatig gewone dolfijnen aan, maar liefst 80% van het totale aantal (figuur 2). Daarna is de soort weer een zeldzaamheid geworden. Van alle gestrande gewone dolfijnen is 60% gemeld uit de maanden juli-oktober, maar dat patroon wordt dus sterk beïnvloed door de jaren 1925-1955: in die jaren strandde zelfs 70% in juli-oktober. De soort is daarna weer zeldzaam geworden; tussen 1956 en heden zijn er nog maar 18 gemeld. De piek in het aanspoelpatroon – als daarover nog kan worden gesproken – is nu verschoven naar het vroege voorjaar, want sinds 1980 strandden 7 van de 13 in maart-april en in juli-oktober zijn er slechts 2 gevonden. Misschien zijn de gewone dolfijnen die nu in de winter en lente aanspoelen wel dieren die vanuit Het Kanaal naar het noorden zijn gezworven of gedreven, want langs de Engelse zuidkust overwinteren enkele duizenden gewone dolfijnen, waarvan er vele worden bijgevangen en overboord gekieperd.

     

    figuur 2. Strandingen van gewone dolfijnen in 1925-1955 (oranje) en in de periode daarbuiten (blauw)

     

    Een potvis in juni blijft een bijzonderheid, zeker een levende, want we kennen potvisstrandingen vooral als een winterfenomeen. Toch is van alle potvissen die ooit in ons land zijn gevonden (77 dieren) iets meer dan een op de vier buiten de periode november-februari gestrand; gerekend sinds 1990 (21 dieren) is dit zelfs meer dan een op de drie. Strandingen van levende potvissen zijn uiteraard nog zeldzamer: van de 17 dieren in de periode maart-oktober zijn dit er maar vier! Augustus is in Nederland overigens nog altijd de enige maand zonder potvismelding.

    In het aanspoelpatroon van de 21 grienden is geen enkel patroon te ontdekken. De soort is hier dan ook nog zeldzamer dan potvis en gewone dolfijn, ook al hebben we er recent een aantal gehad: teruggaand in de tijd 18 november 2018, 2 december 2015, 11 januari 2015, 17 december 2014 en 22 mei 2006. In de herfst van 2015 is er ook nog de groep levende grienden voor de kust geweest. Helaas is die hele groep toch op het strand geëindigd, maar dan in Frankrijk. In de negentiende eeuw zijn er naast de 21 gestrande solitaire grienden nog drie strandingen van groepen grienden geweest met in totaal 109 dieren.

    bruinvis

    dalende aantallen

    Door de jaren heen is er een duidelijk strandingspatroon zichtbaar geworden, met pieken in maart en juli-augustus en de laagste aantallen in de periode november-februari (figuur 3, blauwe lijn). Ook al lijkt elk jaar hier op, elk jaar is toch net even anders. Dit zagen we ook in 2018: de lentepiek was een maand verschoven en viel in april terwijl de zomerpiek, hoewel duidelijk aanwezig, een maand was opgeschoven, met de hoogste aantallen in september. Daarna kelderden de aantallen dramatisch: in november zijn zelfs maar 6 bruinvissen gemeld, het laagste novembertotaal in zestien jaar: sinds 2000 zijn alleen lagere novemberaantallen gevonden in 2000 (namelijk 5) en 2002 (1), maar de jaartotalen van die jaren waren toen sowieso lager (72 in 2000 en 116 in 2002) en lage maandtotalen dus minder bijzonder. Toch waren er zelfs in die twee jaren niet veel maanden met minder dan 6 bruinvissen. Dat de aantallen eind 2018 werkelijk laag waren laat december zien, met slechts 15 strandingen.

    figuur 3. Maandelijkse aantallen gestrande bruinvissen (oranje staven, linker y-as, n=468) en het maandelijks gemiddelde aantal over 2005-2017 (blauwe lijn, n=7279).

    Omdat het totale aantal bruinvissen lager was dan in vorige jaren, wekt het ook geen verbazing dat het gemiddelde aantal aangespoelde dieren per kilometer een stuk lager was dan het meerjarig gemiddelde. Landelijk was dit 1,2, tegenover 1,6 voor 2005-2017. Vooral het Waddengebied en Zuid-Holland bleven achter (figuur 4). Het gemiddelde in Noord-Holland week in 2018 maar nauwelijks af van het meerjarig gemiddelde. In 2015 was het kilometergemiddelde in Noord-Holland extreem laag (0,4), maar dit was in 2016 alweer opgelopen naar 1,0.

     

    figuur 4. Aandeel gestrande bruinvissen voor de vier deelgebieden Delta (D, blauw), Zuid-Holland (ZH, rood), Noord-Holland (NH, groen) en Wadden (W, paars) voor 2018 vergeleken met de periode ervoor. De getallen geven het gemiddelde per kilometer.

     

    Vergelijken we het kilometergemiddelde tussen de deelgebieden, dan was dit in 2005-2017 in de Delta en de Wadden consequent 1,5 tot 3 keer hoger dan voor de Hollandse kust, maar in 2018 was dit verschil verdwenen. De landelijk lage aantallen die hier al eerder voor november-december zijn genoemd, zien we in alle deelgebieden terug. Daarnaast leverden de eerste maanden van het jaar lage kilometergemiddelden in Zuid-Holland, Noord-Holland en de Wadden, en in de Delta in mei-juni.

    sekse en leeftijd

    Het aandeel gemeten bruinvissen blijft door de jaren heen gelukkig gelijk op iets meer dan 50%. De maat is een indicatie voor de leeftijd en geeft dus belangrijke informatie over de samenstelling van de populatie.

    De jongensterfte, gemeten als het aandeel bruinvissen kleiner dan 100 cm in april-oktober, was wat hoger dan gemeten sinds 2005, namelijk 27% tegen 21% (n2018=138, n2005-2017=2839).

    Ook het aandeel gesekste bruinvissen was in 2018 met bijna 55% vrijwel gelijk aan dat in de jaren ervoor. Een interessant fenomeen bij de in ons land aangespoelde bruinvissen is de scheve sekseverdeling. Er is door onderzoekers wel eens geopperd dat in de Noordzee mannetjes verder zuidelijk zouden voorkomen dan vrouwtjes, maar een verklaring daarvoor is nooit gegeven. Eveneens opmerkelijk is dat de sekseverdeling, hoewel die een beetje tussen jaren schommelt, langzaamaan meer gelijk lijkt te trekken: in 2007 was het percentage mannetjes ruim 62%, tegenwoordig is dat 58%. Het verschil lijkt gering en of dit werkelijk wat betekent weten we (nog) niet. Het vermoeden bestaat dat vrouwtjes in het verleden vaker ongesekst bleken (zie ook het jaaroverzicht van 2017), maar omdat er bij een melding tegenwoordig veelal meerdere foto’s worden meegeleverd, zodat op ten minste een ervan de buik goed zichtbaar is, zou dat niet meer van invloed moeten zijn. De bruinvissen die bij de Universiteit Utrecht op tafel verschijnen laten ook een scheve sekseverdeling zien (56% mannetjes, n=958, bron: www.uu.nl/onderzoek/strandingsonderzoek), maar daar ligt het percentage mannetjes dus nog iets lager. De seksratio blijkt bij de in Utrecht onderzochte bruinvissen overigens ook per leeftijdsklasse te verschillen: bij ongeboren dieren is het nog gelijk (hoewel de steekproef met slechts 15 dieren wel erg klein is), bij onvolwassen dieren is het zeer scheef (63% mannetjes) terwijl het bij volwassen bruinvissen is omgedraaid (38% mannetjes; Begeman et al. 2013). Uit alle gestrande bruinvissen blijkt het percentage onvolwassen mannetjes ook hoger te zijn dan het gemiddelde (60%, n=1660) en bij adulten andersom (46%). Het is mogelijk dat mannetjes inderdaad verder zuidelijk voorkomen dan vrouwtjes, of dat mannetjes dichter onder de kust voorkomen en daarmee een grotere kans hebben om aan te spoelen. Er is echter nog een andere verklaring mogelijk, namelijk dat de indeling in leeftijdsklassen niet klopt. Die is gebaseerd op lengte, en omdat mannetjes minder hard groeien dan vrouwtjes maar bovendien eerder seksueel volwassen zijn, zijn groepen die op deze manier worden ingedeeld eigenlijk niet vergelijkbaar. Misschien dat we daar in de toekomst gerichter naar kunnen kijken. In ieder geval blijft het belangrijk om bij te houden, om veranderingen in de populatie te kunnen volgen.

    dankwoord

    Uiteraard is het samenstellen van een overzicht zoals dit niet mogelijk zonder de inzet van alle – jaarlijks tientallen! – vrijwilligers, die keer op keer gestrande walvissen melden aan walvisstrandingen. Wederom hartelijk dank aan allen.

    literatuur

    Begeman L., L.L. IJsseldijk & A. Gröne. 2013. Postmortaal onderzoek van bruinvissen uit Nederlandse wateren 2009 tot 2013. Rapport 2014, departement Pathobiologie, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht.

    Dit verhaal is ook hier te downloaden als pdf.

    Guido Keijl, Naturalis