Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Jacht


    Afbeelding uit "The Whaleman's Adventures" van W. Scoresby, 1850.

    Vóór het begin van de commerciële walvisvaart werd de potvis nauwelijks door de mens vervolgd. De walvisjacht werd oudtijds bedreven vanuit kleine roeiboten vlak onder de kust; de potvis, als soort van het diepe water, was slechts hier en daar voor de jagers bereikbaar. Bovendien wordt potvisvlees niet als eetbaar beschouwd, behalve door enkele kleine bevolkingsgroepen in de tropen. Zo vindt er nog steeds een traditionele jacht op potvissen (en andere walvisachtigen) plaats op twee eilanden ten oosten van Flores; het gaat hier om hooguit enkele dieren per jaar.

    Moby Dick scenes

    De achtervolging van de potvis kwam op gang in de achttiende eeuw. De grote zeilschepen konden veel verder uit de kust opereren, waardoor de potvis binnen bereik kwam. De jacht vond nog steeds plaats met roeiboten, die door het moederschip werden uitgezet. Potvissen zijn uitgesproken trage zwemmers en vooral de wijfjes en jongere dieren laten zich gemakkelijk overmeesteren. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat deze grote dieren zo weinig weerbaar zijn. De oude stieren waren moeilijker te vangen; deze wisten zich nogal eens te weren en een roeiboot te rammen of met hun staart te versplinteren. Juist die grote potvissen vormden natuurlijk de aantrekkelijkste buit, zodat de jacht toch vaak een spannend en gevaarlijk bedrijf was. Vele dramatische, al of niet geromantiseerde verhalen zagen in de negentiende eeuw het licht, met platen van razende potvissen en door de lucht vliegende bootjes en zeelieden. Het beroemdste verhaal is 'Moby Dick' van Herman Melville, dat in 1851 verscheen.

    Begin van de potvisjacht

    Aanvankelijk werd de potvis bejaagd in de Atlantische Oceaan; de eerste potvisexpeditie vond plaats in 1712 vanuit Noord-Amerika. Aan het eind van de achttiende eeuw werden de rijke potvisgebieden in de Stille Zuidzee geëxploreerd en vanaf 1830 drong men ook de Indische Oceaan binnen. De voornaamste jagers waren de Amerikanen; al spoedig namen ook de Britten en Fransen aan dit bedrijf deel. Het grootste aantal schepen dat in een jaar (1834) op potvisjacht ging, was 735; de hoogste vangst die in één jaar (1837) werd geregistreerd, bedroeg 6767 dieren. In het laatste kwart van de negentiende eeuw raakte de potvis wat uit de belangstelling: aardolieprodukten begonnen de potvistraan te vervangen. De laatste tocht vóór het begin van de moderne walvisvaart werd in 1925 ondernomen. Alleen vanuit enkele kleine kuststations werden tot in recente tijd nog op traditionele wijze potvissen gevangen, met roeiboot en handharpoen: de Azoren en Madeira en enkele eilanden in de Caraïbische Zee. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw is ook daaraan een eind gekomen.

    Potvistraan

    De belangrijkste produkten van de potvis waren traan (gekookt uit spek) en spermaceti. De traan werd voornamelijk gebruikt als smeer- en lampolie; van spermaceti werden kaarsen gemaakt. Een kaars van walschot geeft een bijzonder helder licht en de eenheid van licht 'kaars' is gebaseerd op de vlam van een spermacetikaars. Een typisch Nederlandse toepassing was het gebruik van spermaceti voor het glanzen van Zeeuwse kappen.

    Amber: kostbaar darmproduct

    Een zeldzaam en heel bijzonder produkt was grijze amber of 'ambergrijs'. Dit is een stevige, kneedbare substantie die gevonden wordt in het darmkanaal van sommige potvissen; het komt voor in slechts één tot twee procent van de dieren. Het ontstaan van potvisamber is nog niet geheel opgehelderd. Een klomp amber is opgebouwd uit concentrische lagen. In het midden zit meestal een (deel van) een inktvissnavel, die zich kennelijk in de darmwand heeft vastgezet. Waarschijnlijk reageert de darm hierop met de vorming van amber, waardoor het irriterende voorwerp wordt ingekapseld. Een klomp amber weegt gewoonlijk zo'n honderd gram tot een kilo, maar er zijn stukken van vierhonderd kilo gevonden. Amber wordt tenslotte door de potvis uitgescheiden; reeds in oude tijden was het bekend als aanspoelsel op (sub)tropische stranden. Oude amber heeft een muskusgeur. Men kan het smelten tot een chocoladeachtige substantie. Het is nog steeds zeer kostbaar en wordt gebruikt in de parfumindustrie, omdat vluchtige (geur)stoffen zich goed aan amber hechten. Gefortuneerde lieden droegen vroeger wel een klein bolletje geparfumeerde amber in een zilveren houdertje, een zogenaamd amberappeltje. Tegenwoordig wordt het ook gebruikt voor het vervaardigen van homeopatische geneesmiddelen.

    Bewerkte tanden en botten

    Een in deze tijd zeer gewild bijprodukt van de oude potvisjacht zijn de veelal fraai bewerkte ivoren tanden. De zeelieden brachten die vroeger mee als souvenir: ze hadden toen nauwelijks handelswaarde. Men graveerde vaak prachtige taferelen in deze tanden, of sneed er gebruiks- of siervoorwerpen van; hetzelfde deed men met stukken bot. Op deze wijze hield men zich creatief bezig tijdens de lange reizen. Deze volkskunst, 'scrimshaw' geheten, heeft schitterende voorwerpen opgeleverd en authentieke exemplaren brengen thans hoge bedragen op. Helaas is er veel namaak op de markt, afgegoten in kunststof.


    Tandwieltjes van potvisbeen en -tand voor het maken van pasteitjes.
    Foto uit "The American whaleman" van E.P. Hohman, 1928.

    1964: 29.000 potvissen geharpoeneerd

    In de loop van de twintigste eeuw kwam de jacht op potvissen opnieuw in de belangstelling. Er werden velerlei nieuwe toepassingen gevonden voor traan en spermaceti: in de cosmetica- en verfindustrie en als smeermiddel dat bestand was tegen zeer hoge temperaturen. Werden er vóór de Tweede Wereldoorlog al ongeveer tweeduizend à drieduizend potvissen per jaar geschoten, na 1950 nam deze jacht gigantische vormen aan. Zo werden er bijvoorbeeld in 1964 meer dan 29.000 potvissen gedood: met de moderne harpoenkanonnen was dat geen enkel probleem. Langzamerhand begon het besef door te dringen dat dit zo niet door kon gaan. De Internationale Walvisvaart-Commissie legde gaandeweg beperkingen op. Eerst werd het verboden zogende wijfjes te schieten; later werd er een minimum lengte ingesteld om de jonge dieren te sparen; vervolgens kwam er een maximum lengte voor de stieren om de oude exemplaren te ontzien, daar men toen nog dacht dat deze de bezitters waren van een harem en daardoor essentieel voor de instandhouding van een hechte sociale structuur. Ook werden er gesloten tijden vastgesteld en tenslotte is de commerciële potvisjacht sinds 1985 verboden, al heeft Japan dit bedrijf nog een aantal jaren vanaf kuststations voortgezet.

    Deze slachtingen hebben uiteraard grote gevolgen gehad voor de wereldpopulatie. Hoewel de potvis niet met uitsterven is bedreigd, zijn de aantallen in de traditionele jachtgebieden sterk afgenomen. Ruwe schattingen stellen het oorspronkelijke aantal potvissen ter wereld op circa drie miljoen, dat wil zeggen vóór het begin van de intensieve jacht in de twintigste eeuw. Daarvan zouden er thans nog circa twee miljoen over zijn. Het is te hopen dat de commerciële belangstelling voor de potvis definitief tot het verleden behoort. Voor vrijwel alle potvisproducten bestaan tegenwoordig goede vervangers.

    Tekst van dr. C. Smeenk en drs. M.J. Addink uit:
    Op het strand gesmeten; Vijf eeuwen potvisstrandingen aan de Nederlandse kust  © Teylers Museum, Zuiderzeemuseum en Walburg Pers, 1992

    Terug naar het overzicht