Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Het voedsel


    Potvis hapt toe. Millais 1906.

    Het voornaamste voedsel van de potvis bestaat bijna overal uit inktvissen. Iedereen kent wel die fraaie platen in oude boeken: een potvis, verwikkeld in een gevecht op leven en dood met een reusachtige inktvis en hopeloos verstrengeld in de tentakels van het monster. Niemand leek zich ooit af te vragen of potvissen altijd op zo'n onhandige en riskante manier aan de kost komen.

    De werkelijkheid is minder heroïsch. Door analyse van de maaginhoud van gevangen potvissen zijn wij veel te weten gekomen over het menu van de potvis in de verschillende wereldzeeën. Potvissen kauwen hun prooi niet: de kaak dient slechts als grijporgaan. Hoogstens wordt een grote inktvis tegen het verhemelte doodgedrukt, waarna hij in zijn geheel wordt ingeslikt.

    Duizenden inktvissnavels

    Er zijn inktvissen in allerlei soorten en maten. Een inktvis bestaat heel globaal uit een kop met acht of tien vangarmen (tentakels) die van rijen zuignappen zijn voorzien; het achterste deel van het lichaam is omsloten door de zogenaamde mantel. De bek van een inktvis bevindt zich tussen de tentakels. In het voorste deel van de bek liggen twee harde, hoornachtige platen; het geheel doet enigszins denken aan de snavel van een papegaai, maar dan ondersteboven. In de maag van de potvis kunnen zich grote aantallen inktvissnavels ophopen. Hoewel deze vermoedelijk eens in de paar dagen worden uitgebraakt, heeft men wel ettelijke duizenden exemplaren in een maag gevonden. Aan de vorm en grootte van deze resten kan men, als ze niet te zeer beschadigd zijn, bepalen wat voor inktvissen de potvis gegeten heeft, hoe groot en zwaar die waren en op welke diepte ze ongeveer zijn gevangen. Een deel van de hoornplaten passeert tenslotte toch het darmkanaal en komt met de uitwerpselen in zee terecht. Tijdens het observeren van potvissen vanuit zeilboten heeft men de laatste jaren veel potvismest uit het water kunnen vissen, waardoor men zich een beeld heeft kunnen vormen van het voedsel zonder dat er dieren gedood hoefden te worden.

    Littekens

    Het merendeel van het voedsel bestaat uit inktvissen met een mantellengte van twintig centimeter tot een meter (dus gemeten zonder de kop en tentakels). Volwassen potvisstieren vangen over het algemeen grotere prooien dan wijfjes en jonge dieren. Dit hangt vermoedelijk vooral samen met het feit dat de mannetjes op grotere diepte jagen dan de wijfjes en jongen: de grotere inktvissen leven veelal in dieper water. Toch zijn er wel degelijk vondsten gedaan van zeer grote exemplaren. In de magen van twee potvisstieren die bij de Azoren waren gevangen, trof men een reuzeninktvis (Architeuthis) aan van tien en een halve meter lang (inclusief de tentakels) en 184 kilo zwaar, en één van twaalf meter en 200 kilo. Dit blijven echter betrekkelijke uitzonderingen. En ook in zulke gevallen is er waarschijnlijk nauwelijks sprake van echte gevechten: zelfs zo'n grote inktvis heeft geen kans tegen de geweldige massa van een potvis met zijn formidabele tanden. Wel kan de inktvis zich met zijn vangarmen nog enige tijd aan zijn belager vastklemmen, waardoor er op de kop van de potvis afdrukken van zuignappen kunnen ontstaan. De grootste littekens vindt men op de grootste mannetjes, zoals ook te verwachten is. En het zijn vooral die grote indrukken van ruim tien centimeter in doorsnede, die geleid hebben tot de wilde verhalen van vroeger.

    Ander voedsel

    Behalve inktvissen, vangt de potvis allerlei soorten vis. In de wateren bij IJsland vormt vis zelfs het hoofdvoedsel van de daar 's zomers levende mannetjes. Verder zijn er krabben en kreeften in potvismagen aangetroffen, evenals verschillende andere zeedieren en zelfs allerlei onverteerbaar materiaal, waaronder menselijk afval. Vooral jonge potvissen lijken velerlei zaken in te slikken. Bij de huidige vervuiling van de zee kan hun dat fataal worden. Zo is er in Italië eens een jonge potvis aangespoeld die verhongerd was, doordat er een plastic emmer in zijn maag was blijven steken. Ook andere soorten tandwalvissen slikken nogal eens plastic in, vaak met dodelijke afloop.

    Kampioenduiker

    Van de meeste soorten inktvissen (en andere prooidieren) is bekend op welke diepte ze voorkomen. Daaruit kunnen wij afleiden dat ongeveer driekwart van het voedsel wordt gevangen op een diepte van minder dan zeshonderd meter, en vrijwel alles op minder dan duizend meter. De grootste concentraties inktvissen vindt men op vierhonderd tot vijfhonderd meter, en als men bedenkt dat een potvis per dag ongeveer twee tot vier procent van zijn lichaamsgewicht eet, kan men zich enig idee vormen van de enorme hoeveelheden inktvissen die er worden geconsumeerd. De potvis kan echter veel dieper duiken. Zo is er een potvis gevonden, die verstrengeld was in een telefoonkabel die op 1135 meter diepte op de zeebodem lag. Met behulp van sonarapparatuur heeft men duikende potvissen tot op 2250 meter kunnen volgen. Tenslotte is aannemelijk gemaakt dat een potvis tot op meer dan drieduizend meter kan duiken. Dit heeft men afgeleid uit observaties van duikende dieren, metingen van de diepte ter plaatse en het voorkomen van op de bodem levende vissen in de magen van dezelfde dieren (die later werden geschoten). Maar of dit soort prestaties regel of uitzondering zijn, is niet duidelijk. De diepzee is voedselarm en men kan zich afvragen hoe een potvis daar enigszins rendabel aan de kost kan komen. Maar in elk geval is deze soort de kampioenduiker onder de walvissen.

    Potvissen kunnen zeer lang onder water blijven. Hoewel de meeste dieren niet langer dan een half uur onderduiken, zijn perioden van anderhalf of zelfs meer dan twee uur geen uitzondering. De duiksnelheid is zeer hoog: bij het onderduiken gemiddeld ruim 120 meter, bij het opduiken ruim 115 meter per minuut, maar snelheden van 600 respectievelijk 420 meter per minuut zijn ook gemeten, eveneens met behulp van sonar. Het is een raadsel hoe het lichaam van de dieren tegen zulke snelle drukveranderingen bestand is.

    De potvis is niet de enige inktviseter die op grote diepte jaagt. De verschillende soorten spitssnuitdolfijnen foerageren eveneens in diep water, maar hun prooien zijn over het algemeen kleiner dan die van de potvis. Opvallend is dat het bezit van tanden kennelijk niet noodzakelijk is voor het vangen van inktvissen (althans de kleinere exemplaren): geen van de vele soorten spitssnuitdolfijnen heeft functionele tanden. Trouwens, ook jonge potvissen redden zich uitstekend: de tanden breken pas op achtjarige leeftijd door.

    Echolocatie

    Hoe vangt een potvis zijn prooi? Op grotere diepte heerst (bijna) volkomen duisternis, zodat jagen op het gezicht uitgesloten is. Wij hebben al gezien dat tandwalvissen zich onder water oriënteren met behulp van echolocatie; de potvis maakt daarop waarschijnlijk geen uitzondering, hoewel hij in dat opzicht nog nauwelijks is onderzocht. Aan de hand van de teruggekaatste echo's van geluidssignalen kunnen zij voorwerpen in het water nauwkeurig waarnemen en localiseren. Vooral de snelle reeksen van kliksignalen kunnen zeer precies worden gericht, als smalle bundels, waardoor de dieren zich een perfect beeld vormen van uiterlijk en grootte van een prooi of een ander object.

    Maar men denkt ook aan andere jachtmethoden. Veel inktvissen bezitten lichtgevende organen en vermoedelijk kunnen de potvissen zulke dieren gewoon zien. Ook is geopperd dat een potvis met wijd open bek door een school inktvissen heen zwemt en toehapt, zodra hij zo'n dier voelt. Een dergelijk gedrag zou ook kunnen verklaren hoe een potvis in een kabel verstrengeld raakte. Dan is er de theorie dat een potvis onder water doodstil ligt, al of niet met geopende bek. De inktvissen zouden worden aangelokt door de witte kaakranden. Heel intrigerend is, dat het patroon van die contrasterend witte kaken lijkt op de omtrek van een inktvis, maar we hebben er geen idee van of het een met het ander samenhangt. Dat is alleen denkbaar als die kaakranden ook oplichten, bijvoorbeeld op geringere diepte waar nog licht doordringt, of door het voorkomen van luminescente bacteriën op de kaak of de aanwezigheid van lichtgevend slijm, afkomstig van de prooidieren. Voorlopig zijn al deze mogelijkheden niet meer dan speculaties. Jacht door middel van echolocatie lijkt vooralsnog het meest waarschijnlijk.

    Tekst van dr. C. Smeenk en drs. M.J. Addink uit:
    Op het strand gesmeten; Vijf eeuwen potvisstrandingen aan de Nederlandse kust  © Teylers Museum, Zuiderzeemuseum en Walburg Pers, 1992

    Terug naar het overzicht