Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Het uiterlijk van de potvis

     
    Potvisstier: De enorme kop en smalle onderkaak zijn de meest opvallende kenmerken. Tekening: Rob van Assen.

    De potvis is de grootste tandwalvis. Zijn wetenschappelijke naam luidt Physeter macrocephalus; Physeter is een Grieks woord dat 'spuiter' betekent en dat door de oude Grieken voor walvissen werd gebruikt; macrocephalus is eveneens Grieks en betekent 'grote kop'. Een potvis is onmiskenbaar en heeft, ook voor een walvis, een hoogst merkwaardig uiterlijk. De maximum lengte bedraagt ruim achttien meter voor de mannetjes (stieren), ongeveer twaalf en een halve meter voor de wijfjes. Een oude stier kan een gewicht bereiken van ruim 57 ton, een wijfje weegt ongeveer 25 ton. Volwassen mannetjes en vrouwtjes verschillen dus enorm in grootte en gewicht en zijn op zee gemakkelijk te onderscheiden. Ondanks zijn massa maakt een potvis in het water een opvallend slanke en elegante indruk: zijn bewegingen zijn uiterst soepel en subtiel. Een levende potvis in zijn element lijkt dan ook in niets op de opgezwollen, vormloze karkassen op het strand.

    Kolossale kop

    Het opvallendste kenmerk van de potvis is zijn kolossale kop. Bij de geboorte beslaat die al zo'n 25 procent van de totale lengte; bij volwassen wijfjes loopt dat op tot ruim 30 procent, bij de grote stieren zelfs tot bijna 40 procent. De onderkaak is opvallend smal en reikt niet tot de snuitpunt. De kaak is Y-vormig, doordat de twee kaakhelften grotendeels vergroeid zijn tot een lange, stevige balk, waarin de tanden zitten. De onderkaak past in een groef van de bovenkaak, zodat de stroomlijnvorm niet onderbroken wordt. Alleen de onderkaak bevat goed ontwikkelde tanden. In de regel zijn dat er zo'n veertig of vijftig (soms meer, soms minder): grote, kegelvormige, zwaar-ivoren tanden, in het midden van de kaak het grootst. Bij oude mannetjes kunnen ze een lengte van vijfentwintig centimeter bereiken, bij de wijfjes worden ze ongeveer tien centimeter lang. In de bovenkaak bevinden zich geen functionele tanden. Wel worden er in het verhemelte tanden aangelegd, maar die breken nauwelijks door en groeien evenmin vast aan de kaakrand; het zijn losliggende tandkernen in het vlees. Bij gesloten bek passen de tanden van de onderkaak precies in de tegenoverliggende holten van de bovenkaak: een perfect sluitend geheel.


    Tekeningen van F. Cuvier van schedel en onderkaak potvis, 1836.

    Ademwolk

    In tegenstelling tot de andere walvisachtigen, bevindt de ademopening zich bij de potvis niet midden op de kop. Er is maar een neusgat, helemaal links vooraan en min of meer S-vormig. Op zee is de ademwolk van een potvis dan ook direct te herkennen: die wordt schuin vooruit geblazen (bij alle andere soorten recht omhoog). De ogen zijn opvallend klein. Ze staan opzij achter in de kop en het gezichtsveld van linker en rechter oog overlapt niet: recht vooruit kan een potvis dus niets zien.

    De potvis heeft geen echte rugvin. Op de rug zit een rij knobbels of richels, waarvan de voorste uitgroeit tot een driehoekige bult. De staartwortel is buitengewoon stevig en loopt naar onderen uit in een diepe kiel. Hier bevinden zich de krachtige spier- en peesbundels waarmee de potvis zich voortbeweegt. De borstvinnen hebben de vorm van brede, platte peddels. In rust staan ze dicht tegen het lichaam gedrukt en vallen in een soort uitholling van de romp, zodat ze de stroomlijnvorm tijdens het duiken niet verstoren. Als gevolg van de zwelling van het lichaam, gaan ze na de dood al spoedig wijd uitstaan. Doordat ze nogal hoog zijn ingeplant, lijken ze op oude prenten vaak enigszins op flaporen. Evenmin als andere walvisachtigen, hebben potvissen echter uitwendige oren.

    Indrukwekkende penis

    Aan de onderzijde van de keel bevinden zich enkele groeven in de huid, waarvan de functie niet bekend is. Het indrukwekkende geslachtsapparaat van de mannetjes zit, zoals bij alle walvissen, gewoonlijk ingetrokken in een soort schede. De spieren die dit orgaan op zijn plaats houden, verslappen natuurlijk na de dood, waardoor het hele geval naar buiten komt. Op oude prenten van gestrande potvissen neemt de penis dan ook meestal een prominente plaats in. Er is altijd wel iemand met een meetlint in de weer, of een (echt )paar dat in beschouwing verzonken lijkt.

    De huid is naar achteren toe duidelijk gerimpeld. De kleur van de potvis is uniform grijs of bruinachtig. De randen van onder- en bovenkaak zijn echter contrasterend wit en vormen samen een opvallend, haast oplichtend patroon, vooral onder water.

    Tekst van dr. C. Smeenk en drs. M.J. Addink uit:
    Op het strand gesmeten; Vijf eeuwen potvisstrandingen aan de Nederlandse kust  © Teylers Museum, Zuiderzeemuseum en Walburg Pers, 1992

    Terug naar het overzicht