Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    De potvis en zijn verwanten

    De potvis hoort tot de groep (orde) der walvisachtigen of Cetacea. Zoals iedereen weet, zijn walvissen en dolfijnen geen vissen, maar zoogdieren. Ze zijn warmbloedig en krijgen goed ontwikkelde jongen, die door de moeder worden gezoogd.


    Potvis (Physeter macrocephalus). Illustratie: Rob van Assen - © ArtBoutique
     

    Vele miljoenen jaren geleden werd de zee bevolkt door een groep van grote reptielen: de vishagedissen of Ichthyosauria. Deze dieren vertoonden een opvallende gelijkenis met de huidige dolfijnen, in uiterlijk en waarschijnlijk ook in levenswijze. Zo'n 65 miljoen jaar geleden zijn de grote reptielen uitgestorven. Sindsdien hebben de zoogdieren, die tot dan toe een nogal onopvallend bestaan hadden geleid, allerlei terrein kunnen bevolken waar ze vroeger geen kans kregen. Daaronder was ook de zee.

    Afstamming

    Walvissen en dolfijnen stammen af van een oude, reeds lang uitgestorven groep zoogdieren, waaruit ook de huidige hoefdieren zijn voortgekomen. Ze moeten zijn ontstaan in een milieu van tropische kustmoerassen en estuaria. De vroegste resten van walvisachtige dieren die wij kennen, zijn ongeveer vijftig miljoen jaar oud. Wij stellen ons voor dat bepaalde moerasbewonende zoogdieren langzamerhand nieuwe voedselbronnen gingen exploiteren, steeds verder uit de kust. Daarbij werden steeds hogere eisen gesteld aan hun zwem- en duikvermogen, wat radicale veranderingen in lichaamsbouw en fysiologie nodig maakte.

    Verdwenen achterpoten

    De ontwikkeling van land- of moerasbewoners tot echte zeedieren was inderdaad revolutionair. De achterpoten verdwenen en de voortbeweging werd overgenomen door een krachtige, horizontale staartvin. De voorpoten ontwikkelden zich tot platte borstvinnen (flippers), waarmee de dieren subtiele stuurbewegingen konden uitvoeren. Het lichaam werd gestroomlijnd, waardoor de walvissen uiterlijk op vissen gingen lijken, een indruk die nog versterkt werd door de rugvin die bij veel soorten ontstond; de voornaamste functie daarvan was stabilisatie van het lichaam bij hoge snelheid. Het snuitgedeelte van de kop groeide steeds verder uit, waarbij de ademopening een kwart slag draaide en bovenop de kop kwam te liggen. Het haarkleed verdween en het lichaam werd geïsoleerd door een dikke speklaag. Over de vele fysiologische aanpassingen hebben we het dan nog niet eens.

    Uiteindelijk ontstonden de tegenwoordige walvissen en dolfijnen, die zodanig zijn aangepast aan het leven in zee, dat ze bijna altijd reddeloos verloren zijn als ze op de een of andere manier op het land terechtkomen. Terwijl een andere groep waterzoogdieren, de zeehonden, nog afhankelijk is van land of op zijn minst van ijsschotsen om te rusten en hun jongen te werpen, spelen bij walvissen en dolfijnen alle levensprocessen zich in het water af. Daardoor konden deze zich, in tegenstelling tot de zeehonden, over alle oceanen verspreiden. Alleen voor hun ademhaling zijn ze aangewezen op de lucht: alle zoogdieren, ook walvissen en dolfijnen, ademen door longen. Slechts op die manier kunnen ze genoeg zuurstof opnemen voor het hoge energieniveau waarop ze leven. Tenslotte maakte het leven in het water, samen met de enorme voedselvoorraden die de zee bevatte, de ontwikkeling van zeer grote soorten mogelijk, doordat een dier in het water als het ware veel minder weegt dan op het land. Zo is de blauwe vinvis, met een maximum lengte van 33½ meter, niet alleen de grootste walvis, maar zelfs het grootste dier dat ooit geleefd heeft.

    Baleinwalvissen en tandwalvissen

    De orde der Cetacea wordt ingedeeld in twee hoofdgroepen (onderorden): de baleinwalvissen (Mysticeti) waartoe onder meer de vinvissen behoren, en de tandwalvissen (Odontoceti). Baleinwalvissen hebben geen tanden; in hun verhemelte staan twee lange rijen baarden of baleinen ingeplant, waarmee voedsel uit het water wordt gezeefd. Tandwalvissen hebben in de regel tanden waarmee de prooi wordt vastgepakt, maar bij een aantal soorten zijn die in de loop van de evolutie weer gereduceerd of verdwenen. Baleinwalvissen hebben twee ademopeningen (neusgaten), tandwalvissen één. Baleinwalvissen hebben geen systeem van echolocatie of 'sonar' ontwikkeld, tandwalvissen wel. Deze laatste oriënteren zich onder water niet op het gezicht (op grotere diepte is er toch geen licht meer), maar op de teruggekaatste echo's van geluidssignalen die in zeer hoog tempo worden uitgestoten.

    De potvis behoort tot de tandwalvissen, maar neemt binnen deze groep een geheel eigen plaats in. De potvis wijkt zo sterk af van de andere tandwalvissen, dat men hem tot een aparte 'familie' (Physeteridae) rekent. Andere families zijn onder meer de dolfijnachtigen (Delphinidae), bruinvissen (Phocoenidae) en spitssnuitdolfijnen (Ziphiidae). De naaste verwanten van de potvis zijn de dwergpotvissen (familie Kogiidae: twee soorten). Afgezien van de grootte (dwergpotvissen worden hooguit drieëneenhalve meter lang) lijken deze twee groepen zo veel op elkaar, dat men ze ook wel in een en dezelfde familie plaatst. De potvis is een vertegenwoordiger van een oude groep: de vroegste resten van potvisachtige dieren zijn ongeveer 25 miljoen jaar oud. Potvissen komen voor in alle diepe zeeën ter wereld.

    Tekst van dr. C. Smeenk en drs. M.J. Addink uit:
    Op het strand gesmeten; Vijf eeuwen potvisstrandingen aan de Nederlandse kust  © Teylers Museum, Zuiderzeemuseum en Walburg Pers, 1992

    Terug naar het overzicht