Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Nieuws 2016

    • Jaaroverzicht walvisstrandingen 2016

      Het aantal aangespoelde walvissen in 2016 was met 676 dieren ruim twee keer hoger dan het jaar ervoor (figuur 1). Het was zelfs hoger dan het gemiddelde sinds 2006 (namelijk 558, berekend over 2005-2016) en het op drie na hoogste, met alleen hogere aantallen in 2011 (897), 2012 (760) en 2013 (885). Het jaar begon bijzonder spectaculair met een massastranding van potvissen, direct gevolgd door enkele andere bijzondere soorten, terwijl de tweede helft van het jaar juist erg soortenarm was. Het aantal verschillende soorten bedroeg 6 (17 exemplaren), wat minder dan de laatste jaren (bijvoorbeeld 8 soorten in zowel 2010 als 2014). Het lag daarmee dicht bij het meerjarig gemiddelde van 4,8.

      Figuur 1. Aantal aangespoelde bruinvissen (oranje) en andere walvissen (blauw) in Nederland van 2000 tot en met 2016.

       

      Bijzondere soorten vooral in de eerste helft van het jaar

      Het viel op dat de bijzondere soorten – andere soorten dan bruinvis – in 2016 erg ongelijk over het jaar verdeeld waren. Als we ons realiseren dat het aanspoelen van een andere soort dan bruinvis een gebeurtenis is waarbij het toeval een grote rol speelt, is het bijzonder dat dit jaar bijna alle niet-bruinvissen geconcentreerd waren in de eerste vier maanden van het jaar: tot en met 6 mei maar liefst veertien dieren, daarna slechts drie! Vergelijken we dat met het patroon van strandingen van alle niet-bruinvissen, dan zijn er over de jaren heen sinds 1255 kleine piekjes te zien in de maanden november-januari (vooral veroorzaakt door witsnuitdolfijnen, tuimelaars en potvissen), en in juli-september (vooral gewone dolfijnen (augustus!), witsnuitdolfijnen en tuimelaars) (figuur 2). Hoewel witsnuitdolfijn bij veel mensen in het geheugen staat als een wintersoort, kwam 36% van de strandingen van deze soort op het conto van april-juli en meer dan de helft (54%) uit maart-oktober (n=229). Witsnuitdolfijnen strandden in het nabije verleden dus meer gespreid over het jaar dan alleen in de wintermaanden, met eigenlijk alleen lage aantallen in augustus-oktober. De laatste jaren spoelen witsnuitdolfijnen veel minder aan dan in de jaren 1980-1990 (bijna 60% van het totaal spoelde aan in 1980-2000). Gelukkig worden levende witsnuitdolfijnen nog altijd in de Nederlandse Noordzee waargenomen, zij het ver uit de kust.

      Figuur 2. Aantal aangespoelde walvisachtigen per maand over 1255-2016 opgesplitst voor drie soorten plus de rest (23 soorten, inclusief ongedetermineerde walvisachtigen), maar exclusief bruinvis.

      Het meest opvallende verschijnsel in 2016 was natuurlijk de massastranding van maar liefst zes potvissen, alle op Texel en vijf hiervan op 12 januari; nummer zes strandde twee dagen erna. 'Onze' massastranding was onderdeel van een stranding over een gebied dat zich uitstrekte van de Britse oostkust ter hoogte van Texel tot het Duitse waddengebied. In totaal zijn dertig exemplaren gestrand, terwijl er in dezelfde periode nog een levende potvis is gezien nabij de Doggersbank – mogelijk het exemplaar dat twee weken later aanspoelde op de Deense kust. De zuidelijkste potvis van dit dertigtal strandde op de noordwestkust van Frankrijk, in de monding van Het Kanaal; deze had dus bijna de uitgang naar de Golf van Biskaje gevonden. Zoals al eerder gemeld is dit niet alleen het hoogste aantal potvissen ooit in ons land, maar ook de omvangrijkste potvisstranding in de Noordzee in moderne tijden. Zie voor meer informatie ook het bericht over de stranding uit januari 2016. Naast al dit winterpotvisgeweld is op 6 mei op Schiermonnikoog een losse potvistand gevonden. Deze was curieus gebogen en opvallend smal en daarom vermoedelijk een tand uit de bovenkaak. Het is algemeen bekend dat potvissen tanden in de onderkaak hebben en dat die in de bovenkaak doorgaans niet zichtbaar zijn. Velen denken daarom dat tanden in de bovenkaak geheel ontbreken. Dat is niet terecht; ze komen zelden boven het tandvlees uit, maar zijn vaker aanwezig dan gedacht. In 1869 publiceerde Flower hier al over, gevolgd door een reeks andere auteurs. De meest recente zijn Toledo & Langguth (2015), die ook enkele foto's van bovenkaaktanden afbeelden.

      Januari had behalve de potvissen nog meer in petto, met maar liefst twee gestreepte dolfijnen op Ameland (19 januari) en een gewone dolfijn bij Zurich (31 januari). De gestreepte dolfijnen waren nummers tien en elf voor ons land. Vóór 2000 spoelden zes exemplaren van deze soort aan (de eerste in 1967, de tweede in 1987), sinds 2000 al vijf. Na de gewone dolfijn in januari waren er nog twee: een bij Harlingen (21 februari) en een bij Wassenaarse Slag (2 september). Dit bracht het landelijke totaal op 89. Drie in een jaar is tegenwoordig veel voor deze soort: in veertig jaar tijd, namelijk tussen 1960 en 2000, strandden er slechts zes, sinds 2000 al weer zeven. Zou gewone dolfijn, net als bruinvis, langzaamaan de zuidelijke Noordzee herontdekken? En rukt gestreepte dolfijn echt op met het opwarmen van het zeewater, of blijft het bij incidenten?

      Eveneens bijzonder waren de strandingen van twee, of misschien wel drie, gewone spitssnuitdolfijnen in 2016. De eerste (7 maart, Borssele) was een verse man, de tweede (10 september, Terschelling) een rotte. Beide zijn bewaard gebleven voor onderzoek. Ze hadden een lege maag, gebruikelijk voor deze soort op onze kust en te verwachten, omdat alle spitssnuitdolfijnen, net als potvissen, hun voedsel zoeken op grote diepte. Een dier dat hier terecht komt, heeft daarom bijna per definitie al dagen niet meer gegeten, of althans niet zijn gebruikelijke voedsel. Een derde spitssnuitdolfijn, die op basis van de verspreiding van soorten binnen deze lastig te determineren groep vermoedelijk eveneens een gewone spitssnuit betrof, dobberde op 24 april in de Westerschelde nabij Terneuzen. Het was een vrouwtje. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden kon deze niet worden bewaard, waardoor naast de doodsoorzaak, eventuele maaginhoud en parasieten, ook de soort onbekend blijft. Evenals opgemerkt bij gewone dolfijn is drie gewone spitssnuitdolfijnen in een jaar veel, want sinds 1900 strandt er gemiddeld maar één per tien jaar. Er is een duidelijke piek in de zomer, want 83% van de gewone spitssnuitdolfijnen strandt in juli-september (n=23). Het lijkt er daarom op dat de soort in dat jaargetijde een vorm van dispersie of trek vertoont, maar omdat deze dieren een uiterst geheimzinnig leven leiden is hier niets over bekend.

      Naast bovenstaande gevallen zijn twee vondsten dit jaar ongedetermineerd gebleven. Op de Hors op Texel is op 1 mei een deel van een schedel van een ongedetermineerde kleine walvis gevonden. Een niet nader gedetermineerde dolfijn dobberde op 13 augustus bij Ritthem en kon vanaf de wal worden gefotografeerd, maar spoelde helaas niet aan.

       

      Bruinvis

      Aantallen en doodsoorzaken

      Het hogere aantal walvissen in 2016 geeft natuurlijk aan dat er met name meer bruinvissen zijn aangespoeld dan in 2015. De meter liep op tot maar liefst 658. Dat is ongetwijfeld een teken dat er ook meer bruinvissen voor de kust waren dan in de jaren ervoor, want het aanspoelpatroon toont geen bijzondere afwijkingen van het meerjarig beeld (figuur 3): de hoogste aantallen zijn zoals gebruikelijk gevonden in maart, juli en augustus. De zomerpiek lag een fractie vroeger dan anders. Het aantal strandingen in juni, in totaal 67 dieren, was wat hoger dan normaal, in september-oktober waren er juist veel minder. Overigens varieerde het beeld tussen de vier deelgebieden: zo was de maartpiek voor 2016 goed zichtbaar in de Delta (0,39 bruinvissen per kilometer, het hoogste van het hele jaar in dit deelgebied en veel hoger dan 0,16 voor het meerjarig gemiddelde) en in mindere mate ook in Noord-Holland (0,11), maar was het maartgemiddelde op de Wadden juist wat lager dan in februari (0,21). Het aantal strandingen op de Zuid-Hollandse vastelandskust was in maart 2016 juist extreem laag (0,04, gemiddeld 0,15 voor dit deelgebied), zelfs het laagste van het hele jaar.

      Figuur 3. Aantal aangespoelde bruinvissen per maand (oranje staven, linker y-as, n=655) uitgezet tegen het gemiddelde per maand (blauwe lijn, in procenten, rechter y-as).

      Een en ander maakt nieuwsgierig naar het totale aantal bruinvisslachtoffers van grijze zeehonden, die met name verantwoordelijk zijn voor de piek in maart. We weten dat bruinvissen al jaren vooral eind maart ten prooi vallen bij de kop van Goeree. Uit een snelle analyse van alle foto's uit december 2015 en heel 2016 bleek bijna 25% van de aangespoelde bruinvissen te zijn verscheurd door een grijze zeehond (figuur 4). Dat komt opvallend mooi overeen met de 25% bij een analyse over de periode 2003-2013 (Leopold et al. 2014). De piek in maart van 75% (36 slachtoffers van 48 exemplaren in totaal) is in figuur 4 duidelijk zichtbaar, maar staat niet op zich: het lijkt eerder het einde van een langere periode van verhoogde predatie, die al begint in december 2015. Beschouw de grafiek echter niet als de absolute waarheid, want er zijn vele valkuilen. Zo is er misschien zelfs een onderschatting gemaakt omdat gave bruinvissen wel in deze analyse zijn meegenomen, maar dieren waarbij twijfel bestond (vaak rot of niet goed zichtbaar) niet. Het is daarnaast onbekend hoeveel bruinvissen secundair zijn doodgegaan aan een aanval door een grijze zeehond: zo is een aantal bruinvissen in betrekkelijk gave toestand aangetroffen, maar zijn er wel diepe krassen op de staartwortel zichtbaar die (zouden kunnen) wijzen op afdrukken van zeehondennagels. Tot slot is het aantal bruinvissen per maand betrekkelijk klein (gemiddeld 26 exemplaren, minimum 10 in oktober, maximum 48 in maart).

      Figuur 4. Maandelijks percentage bruinvissen in 2016 dat beschadigingen vertoont die wijzen op een aanval door een grijze zeehond. n=309 verschillende individuen

      Dat grijze zeehonden flink tekeer kunnen gaan, blijkt uit het aantal strandingen op één locatie, met name op Goeree, in de regio Ouddorp-Kwade Hoek: in de piekperiode spoelden daar dagelijks één of meer bruinvissen aan die aan flarden zijn gescheurd. Er zijn overigens meerdere grijze zeehonden die de truc onder de knie hebben, want soms worden op dezelfde dag, of binnen enkele dagen, verscheurde bruinvissen gemeld van verschillende locaties. Op plaatsen waar meerdere bruinvissen op een dag worden gevonden, zijn misschien wel meer dan één grijze zeehond actief. Vaste plekken liggen bij Ouddorp, bij Katwijk-Noordwijk, tussen Castricum en Bergen, en bij Ameland. Op geen enkele van deze locaties spoelen echter zoveel verscheurde bruinvissen aan als op Goeree. Bijna opvallend is in dit verband het ontbreken dit jaar van grijzezeehondslachtoffers bij de Zandmotor: in 2010-2015 kwam gemiddeld bijna 3% van alle bruinvissen uit het traject Hoek van Holland-Kijkduin en was een flink deel daarvan verscheurd (in 2014 zelfs ruim 4%), in 2016 kwam krap 1% van de bruinvissen uit deze regio en was maar 1 dier slachtoffer van een grijze zeehond. Gezien de cijfers gaat het dus waarschijnlijk steeds om één enkele grijze zeehond, naar verondersteld wordt steeds een volwassen mannetje, die zich specialiseert: als een dier een andere pleisterplaats zoekt of dood gaat, zijn de bruinvissen in deze omgeving veilig tot er zich een nieuwe boeman aandient. In hoeverre verscheurde bruinviskadavers verdriften voordat ze aanspoelen is natuurlijk niet bekend, maar vaak zijn dergelijk toegetakelde dieren kakelvers en komen ze dus niet van heel ver weg. De grote vraag blijft natuurlijk waarom grijze zeehonden vooral in maart (veel) bruinvissen pakken, en niet of veel minder in de andere maanden van het jaar.

       

      Verdeling over de kust

      In andere jaren werden de meeste bruinvissen gemeld uit het waddengebied, maar in 2016 was de Delta koploper met maar liefst 247 meldingen (38% van het totaal; in het waddengebied zijn 220 meldingen ontvangen, goed voor 33%; figuur 5). Uit Noord-Holland, waar traditioneel de minste meldingen vandaan komen, was het percentage weer exact op het niveau van voorheen (14%) en zijn 89 bruinvissen gemeld. In 2015 was het aantal bruinvissen uit Noord-Holland extreem laag met maar 36 exemplaren over het hele jaar en daarmee was ook het jaargemiddelde per kilometer voor dit deelgebied gezakt tot 0,4. In 2016 was dit weer wat hoger (1,0, figuur 5), maar nog niet op het niveau van daarvoor (was 1,4 over 2005-2014). Zuid-Holland week in 2016 niet veel af van het gemiddelde (102 bruinvissen, 16% van het totaal tegen 18% gemiddeld).

      Figuur 5. Aandeel gestrande bruinvissen voor de vier deelgebieden Wadden, Noord-Holland, Zuid-Holland) en Delta voor 2016 vergeleken met de periode ervoor. De getallen in de grafiek geven het gemiddelde per kilometer per jaar.

       

      Geslacht en leeftijd

      Over de jaren 2005-2016 is minder dan de helft van de bruinvissen gesekst (46%). Al jaren stranden er iets meer mannetjes dan vrouwtjes (59% over 2005-2016, n=3322). In 2005 lag het percentage net boven de 60%, maar door de jaren heen gaat het aandeel mannetjes langzaam aan naar beneden: van ruim 62% in 2004 naar 57% in 2016. In 2014 was het op een dieptepunt (43%). Binnen Nederland neemt het percentage mannetjes doorgaans af van zuid naar noord, of, anders gezegd, stranden er in het waddengebied iets meer vrouwtjes dan elders. In 2016 was het precies andersom, maar omdat de verschillen voor dit jaar vrij klein zijn (57,4% mannetjes in de Delta, 60,0% in het waddengebied, n=347 gesekste dieren) is het de vraag of het niet aan toeval is toe te schrijven.

      Figuur 6. Aandeel vrouwtjes per maand in 2016 (oranje) vergeleken met dat in 2005-2015 (zwart). n= 3322

      Het aandeel vrouwtjes varieert over het jaar. Normaal gesproken stranden er wat meer vrouwtjes in maart dan in andere maanden (figuur 6) en is gemiddeld genomen het aandeel vrouwtjes het laagst in de zomer en het hoogst in de winter. In 2016 was dit andersom, en zijn er naast een verhoogd aantal vrouwtjes in maart ook in juni en september veel vrouwtjes gemeld. In 2016 leken het er in januari, februari en december juist opvallend weinig, maar in die maanden zijn maar zeer weinig bruinvissen gesekst (december-februari respectievelijk 18, 6 en 15). In de zomer gaat het echter om enkele tientallen gesekste dieren per maand (juni-september 164 bruinvissen). Er leken vooral wat meer adulte vrouwtjes betrokken bij deze zomerstranding (45% groter dan 129 cm, n=47, normaal 39%, n=446).

      Gebaseerd op lengte zijn er minder subadulte dieren gevonden dan in andere jaren (figuur 7). Dit komt vooral op het conto van de mannetjes: 49% (n=67) in 2016 tegen 60% (n=1358) over 2005-2015. De jongensterfte was in 2016 iets lager dan in voorgaande jaren (16% tegen 22%).

      Figuur 7. Leeftijdsverdeling in 2016 ten opzichte van de voorgaande periode. Jong = <100 cm, subadult = 100-129 cm, adult ≥130 cm.

       

      Meer foto's gevraagd

      Het is met name uit het verhaal over predatie van grijze zeehonden op bruinvissen duidelijk dat fotograferen van dode bruinvissen van belang kan zijn. Veel mensen maken van een dode bruinvis maar één foto. Het is echter aan te raden om van álle dode bruinvissen (dus ook rotte, gave, jonge, incomplete, enzovoort) meerdere foto's te maken, bij voorkeur ten minste vier: van de bovenkant, van beide zijkanten en van de buik. Hoewel het in sommige gevallen misschien geen aangenaam karwei is, kan een bruinvis doorgaans betrekkelijk eenvoudig met de voet op de andere zijde worden gerold, desnoods met een stuk hout, bos zeewier, plastic zak of handje zand tussen de schoen en het dier. Als de buik zichtbaar is, is het bovendien mogelijk om het dier vanaf de foto te seksen. Om inzicht te houden in de ecologie van bruinvissen in Nederlandse wateren, is het seksen van bruinvissen ook van belang: veranderingen in de geslachtsverhouding kunnen immers een aanwijzing zijn dat er veranderingen in het milieu plaatsvinden.

       

      Minder melders in Noord-Holland

      Naast een aantal vaste melders, die per persoon of instantie in 2016 elk weer vele tientallen meldingen hebben gedaan, zijn er daarnaast velen geweest die een of enkele meldingen hebben gedaan. Een aantal daarvan heeft zijn of haar dode bruinvis gemeld op waarneming.nl, al of niet met foto. Dankzij het samenwerkingsverband tussen Naturalis en waarneming.nl komen die bruinvissen ook in de landelijke database terecht. Een vrij grove schatting van het aantal melders in 2016 komt uit op bijna tweehonderd verschillende personen en instanties! Al deze waarnemers worden uiteraard weer hartelijk bedankt voor hun medewerking. Daarnaast nemen vooral de vaste waarnemers ook de moeite om gestrande bruinvissen te melden bij de Universiteit van Utrecht, en zijn ze niet te beroerd om een bruinvis persoonlijk, desnoods bij nacht en ontij, daar naartoe te brengen zodat hij snel onderzocht kan worden.

      Een zorgenkindje wat betreft meldingen is tegenwoordig de kust van Noord-Holland, met name de trajecten Wijk aan Zee-Castricum en Schoorl-Den Helder. Tot in 2015 was Arnold Gronert drijvende kracht voor de Noordkop. Zelf bezocht hij dagelijks (!) het traject Petten-Camperduin, maar hij onderhield ook een netwerk van mensen die meldingen aan hem doorgaven, zoals dat nog altijd in Zuid-Holland en Zeeland gebeurt. Nu Arnold is gestopt zijn de regelmatige meldingen uit dat gebied opgedroogd. Vanuit Naturalis wordt wel gepoogd mensen te bewegen om meldingen te doen, maar een lokale 'spin in het web' is nog niet gevonden. Hier ligt dus een mooie taak te wachten op een vrijwilliger met hart voor de Noordzee!

      Dit jaaroverzicht is ook hier te downloaden als pdf.

                                                                                                                                                                                                                 Guido Keijl, Naturalis

       

      literatuur

      Flower W.H. 1869. On the osteology of the cachalot or sperm whale (Physeter macrocephalus). Transactions of the Zoological Society 6: 302-372.

      Leopold M.F., L. Begeman, J.D.L. van Bleijswijk, L.L. IJsseldijk, H.J. Witte & A. Gröne 2014. Exposing the grey seal as a major predator of harbour porpoises. Proceedings of the Royal Society B 282: 20142429.

      Toledo G.A.C. & A. Langguth 2015. Maxillary teeth in sperm whales, Physeter macrocephalus (Cetacea: Physeteridae). Journal of morphological sciences 32: 212-215.

    • Maandoverzicht december 2016

      Ook in december zijn uitsluitend bruinvissen gemeld. De laatste niet-bruinvis dateert van 10 september! Het aantal aangespoelde dieren was deze maand iets hoger dan gemiddeld: 37 stuks, tegen 31 over 2005-2015. Er waren geen dagen met extreme aantallen, hoewel de wind af en toe vrij hard en aanlandig is geweest; er was eerder sprake van een continue aanvoer van dieren, met uitzondering van de periode 2-7 december, toen er helemaal geen meldingen waren. Dit viel samen met een periode van overwegend aflandige wind (noordoost via oost tot vrijwel zuid).

      Uit het Deltagebied zijn 8 bruinvissen gemeld (nul uit Wester- en Oosterschelde), uit Zuid-Holland 9, uit Noord-Holland 12 en van de Waddeneilanden 8 (Texel 2, Vlieland 5 en Terschelling 1). De seksratio was deze maand erg scheef: 13 mannen tegen 4 vrouwen. In november was dit meer in evenwicht: 14 mannen en 10 vrouwen.

      Veertien bruinvissen zijn, te oordelen aan de op foto's getoonde gescheurde huid, mogelijk ten prooi gevallen aan een grijze zeehond. Een snelle blik op de strandingen van de afgelopen tijd laat zien dat de vroegste dergelijk toegetakelde bruinvis al op 29 oktober is gemeld, maar daarna bleef het goeddeels stil, met in november slechts 3 verscheurde kadavers. Let op dat dit alleen achteraf bepaald is aan de hand van foto's, die bovendien niet voor elke stranding beschikbaar zijn. 'Hotspots' van deze verminkte bruinvissen lagen in december de regio Rockanje-Katwijk (6) en Castricum-Egmond (7). Rond 16-19 december werden bij Castricum veel meer ter plaatse verblijvende zeehonden gemeld dan gewoonlijk (op 16 december zelfs 31; bron trektellen.nl). Kennelijk was er in deze periode erg veel voedsel te vinden. De aantallen bruinvissen leken echter niet hoger dan normaal.

    • Maandoverzicht november 2016

      November 2016 was opvallend druk met bruinvisstrandingen. Normaal gesproken zijn november en december de rustigste maanden wat betreft aangespoelde walvissen, maar dit jaar lag het aantal van 43 ver boven het meerjarig gemiddelde van 27 stuks. Het is zelfs het hoogste novemberaantal sinds 1960; het op een na 'beste' jaar was 2008 met 37 strandingen. Van de dagen met meerdere exemplaren springen vooral 6 en 11 november eruit, met respectievelijk 5 en 6 meldingen. Op 5-6 november stond er wel een stevige aanlandige bries (NW 4-5 Beaufort), maar van 7-13 november was de wind zwak en aflandig (NO-ZO 2-3 B). Ook de harde aanlandige wind van 15-18 november (ZW5-6) leverde geen opmerkelijke aantallen op: alleen op de 17e zijn er 3 kadavers gevonden. Er zijn deze maand alleen bruinvissen gemeld, waaronder twee levende (19 november Texel, 22 november Monster).

      In de Delta zijn 16 bruinvissen gevonden (1 in de Oosterschelde, 2 in de Westerschelde), in zowel Zuid-Holland als Noord-Holland 5, en in het waddengebied 17 (Texel 5, Vlieland 6, Terschelling 4, Schiermonnikoog 2).

    • Maandoverzicht oktober 2016

      In oktober 2016 zijn 35 meldingen ontvangen, slechts iets minder dan het meerjarig gemiddelde van 40. Het meerjarig gemiddelde wordt wel flink opgekrikt door het hoge aantal in 2011, toen er 113 strandingen waren. Exclusief dat jaar ligt het gemiddelde op 32. Overigens waren ook oktober 2008 en oktober 2012 uitzonderlijk, want in beide jaren zijn 63 strandingen gemeld. In oktober dit jaar zijn vrijwel dagelijks strandingen ontvangen, maar geen enkele dag sprong er qua aantal uit: het hoogste aantal waren 4 dode bruinvissen op de 29e. Gezien de overheersende windrichting (op 11 dagen oostelijk; bron KNMI) is het aantal toch nog aanzienlijk; het valt niet uit te sluiten dat op dagen (of in gebieden) met aflandige wind dode bruinvissen door de onderstroming naar het strand worden geduwd. In dat geval zou het uiteraard om reeds gezonken dieren moeten gaan.

      In Zeeland tot en met de Maasvlakte zijn 14 bruinvissen gevonden (waarvan 4 in de Westerschelde), op de Hollandse kust 6 (Zuid-Holland 5, Noord-Holland slechts 1 !) en in het Waddengebied 15 (Texel 4, Vlieland 8, Terschelling 1, Schiermonnikoog 2). Er is 1 bruinvis levend gestrand (15 oktober Texel). Andere soorten dan bruinvis zijn niet gemeld.

    • Maandoverzicht september 2016

      De strandingsdrukte van augustus leek zich aanvankelijk voort te zetten in september: in de eerste week waren er nog steeds meerdere meldingen per dag, met een maximum van zelfs 9 op 5 september. Na 9 september daalde het aantal meldingen echter en tot na de 21e was er niet meer dan 1 stranding per dag. Dat kwam mooi overeen met de wind: die was eerst aanlandig, maar draaide na 10 september naar noordoost en pas vanaf de 22e weer naar westelijk (bron: KNMI). In totaal zijn deze maand 46 strandingen gemeld, duidelijk minder dan het meerjarig gemiddelde van 61 (2005-2015; 'topjaren' waren 2011-2013 met respectievelijk 130, 107 en 101 exemplaren). In de Delta waren dat er 20 (1 in de Oosterschelde), op de Hollandse kust 16 (gelijk verdeeld over Zuid- en Noord-Holland) en op de Wadden 10 (Texel 4, Vlieland 3, Terschelling 2, Ameland 1).

      Er waren twee bijzondere meldingen: een gewone dolfijn op 2 september bij Wassenaar, en een gewone spitssnuitdolfijn op 10 september op Terschelling. Van beide soorten is het niet ongebruikelijk dat er strandingen in de nazomer plaatsvinden: 53% van de gewone dolfijnen op de Nederlandse kust komt uit de periode augustus-oktober (n=83), en 55% van de gewone spitssnuitdolfijnen uit juli-september (n=22). Er zijn in september dit jaar geen levende walvissen gemeld.

    • Website over onderzoek aan gestrande walvissen in Nederland

      Om meer te weten te komen over doodsoorzaken van in ons land gestrande bruinvissen worden deze sinds 2008 in opdracht van het ministerie van Economische Zaken onderzocht door veterinairen van de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Er worden weliswaar (meer)jaarlijkse overzichten gepubliceerd van de bruinvissecties, maar die rapporten zijn intern. Naast bruinvissen worden ook andere walvissoorten onderzocht als de mogelijkheid zich voordoet. Per september 2016 heeft de Universiteit Utrecht een eigen website betreffende het pathologische walvisonderzoek. Hoewel een overzichtsrapportage over de bruinvissen sinds 2008 nog op zich laat wachten, zijn op de website diverse publicaties te vinden, voornamelijk over meer of minder bijzondere gevallen, en ook over andere soorten dan bruinvissen. U vindt de website op http://www.uu.nl/onderzoek/strandingsonderzoek

    • Zoetwaterbruinvis redt het niet

      Sinds vrijdagochtend 29 juli vertoonde zich een bruinvis in het binnenwater van Den Helder. De bruinvis zwom op het moment van melden (om 09:45 uur) in de zuidoosthoek van de gracht bij Willemsoord, bij de Zuidstraat, langs de zogenaamde Flaneerkade. Hij was duidelijk niet in zijn element en leek gedesoriënteerd, want hij zwom voortdurend rondjes in hetzelfde gebied. Rond 21:00 uur verdween het dier uit zicht. De volgende dag werd hij zuidwaarts zwemmend in het Noordhollandsch Kanaal gemeld bij Schoorldam, 30 kilometer zuidelijker, maar op 31 juli was hij weer de hele dag in Den Helder, waar hij gemeld werd langs de Keizersgracht en in de noordwesthoek van Willemsoord. De laatste waarneming uit Den Helder op 31 juli is van 16:00 uur. Op diezelfde dag werd hij opnieuw zuidwaarts zwemmend gezien in het Noordhollandsch Kanaal bij Koedijk, 3,5 uur later en zo'n 30 kilometer zuidelijker. Ook op 3 augustus is hij daar gemeld; van de tussenliggende dagen zijn ons geen meldingen bekend. Van 5-7 augustus verbleef de bruinvis in het Alkmaardermeer, waarna hij zich opnieuw zuidwaarts spoedde. Helaas stuitte hij op 8 augustus op de sluis bij Nauerna, op een steenworp afstand van het Noordzeekanaal, en ook op 9 augustus is hij daar gezien. Had hij de sluis bij de Overtoom in Nauerna kunnen passeren, dan was hij in zijkanaal D terecht gekomen en direct in het Noordzeekanaal, nog geen 10 kilometer van de sluizen van IJmuiden. Het mocht echter niet zo zijn ….

      Op 14 augustus is de bruinvis dood aangetroffen bij Krommenie, 7 kilometer ten noorden van Nauerna. Hij was inmiddels rot, is uit het water gevist en naar de afdeling dierpathologie van de Universiteit Utrecht gebracht voor onderzoek. Het bleek een vrouwtje van 110 cm lang; op grond van de lengte betrof het een dier in haar tweede levensjaar. Ze was sterk vermagerd en had een ontstoken huid, waarschijnlijk vanwege het langdurige verblijf in het zoete water. In de longen werd onduidelijke zwarte smurrie aangetroffen, vermoedelijk modder. De maag is onderzocht bij Imares in Den Helder. Er waren geen voedselresten te vinden, maar wel een gelei-achtige massa, die deed denken aan een mosdiertjeskolonie (zie bijvoorbeeld http://tinyurl.com/zj9k4ne). Vanaf de ontdekplek in Den Helder tot de plek van doodgaan in Krommenie, en inclusief het heen- en weerzwemmen, heeft deze bruinvis in ongeveer 16 dagen 63 kilometer in zoet water afgelegd (zie ook kaart). 

      Hoewel niet gewoon, is het ook weer niet héél ongebruikelijk dat bruinvissen in zoet water terecht komen, want het zijn nu eenmaal dieren van ondiepe kustwateren. In België zwemmen bruinvissen met enige regelmaat de Westerschelde op en worden ze ook wel in het brakke water nabij Antwerpen gezien (zie bijvoorbeeld http://tinyurl.com/hbjoq55). Recent is een bruinvis zelfs geschut bij Antwerpen, waarna het dier enkele dagen ten zuiden van de stad verbleef. Ook deze zoetwaterbruinvis heeft het niet gehaald, want op 3 september is hij dood gevonden bij Branst, 24 kilometer ten zuiden van Antwerpen. In het verleden schijnen er zelfs wel eens bruinvissen gezien te zijn in de grachten van Amsterdam, maar al met al zijn er er niet veel zoetwaterbruinvissen uit ons land bekend. Hopelijk blijft dat zo.

    • Maandoverzicht augustus 2016

      Augustus lijkt een echo van de vorige maand, want in beide maanden zijn vrijwel evenveel walvissen gemeld. Deze maand waren het er 85. Het augustusgemiddelde sinds 2005 bedraagt 74, maar dat is inclusief 2011, toen een recordaantal van 210 dode dieren is gemeld; exclusief dat jaar is het augustusgemiddelde 'slechts' 60 (nog altijd twee strandingen per dag). In augustus 2012, qua aantal derde in de rij, zijn er 84 dode walvissen gemeld. In augustus dit jaar was het vooral in de eerste decade druk voor de dodebruinvisophalers, met maar liefst 7 meldingen per dag op zowel 1, 9 als 11 augustus. Het is natuurlijk geen verrassing dat in die periode de wind steeds aanlandig was, en vaak matig tot hard. Pas toen op de 15e de wind naar de noordoosthoek draaide, nam het aantal strandingen langzaam af.

      In de Delta zijn 31 dieren gevonden (waarvan 3 in de Oosterschelde), langs de Hollandse kust 29 (13 in Zuid-Holland, 16 in Noord-Holland), en in het Waddengebied 24 (Texel 9, Vlieland 4, Griend 1, Terschelling 5, Ameland 2, Rottumeroog 1, Lauwersoog 2). Er zijn geen levende walvissen gestrand. Hoewel de steekproef beperkt is (van slechts 32 dieren is een lengteopgave ontvangen), lijkt het aandeel kalfjes deze maand gedaald: in juni was dit 23%, in augustus 19%.

      Heel bijzonder was natuurlijk de dode bruinvis die op 14 augustus gemeld werd bij Krommenie, in het 'binnenland' van Noord-Holland (namelijk hemelsbreed bijna 12 kilometer van zee). Binnenkort wordt op deze nieuwspagina een kort stukje aan deze merkwaardige vondst gewijd.

      Er is deze maand 1 andere soort gemeld, namelijk een helaas ongedetermineerd gebleven dolfijn. Dit dier dreef op 13 en 14 augustus in de Westerschelde bij Ritthem. Misschien betrof het een tuimelaar, maar andere soorten kunnen niet worden uitgesloten. Het bleek niet mogelijk om het kadaver te verzamelen en na de 14e is het niet meer gezien.

    • Maandoverzicht juli 2016

      Ook in juli 2016 zijn veel meer strandingen gemeld dan het meerjarig gemiddelde, namelijk 91 tegenover 61 gemiddeld over 2005-2015. Alleen in juli 2011 en juli 2012 zijn er nog meer gestrand (respectievelijk 114 en 130). De wind zat vrijwel de hele maand in de westhoek - slechts op twee dagen kwam de wind uit het noordoosten en pal zuid is de wind niet geweest. Er waren maar liefst zes dagen met 5 of meer bruinvissen, met als uitschieters 7 meldingen op 6, 17 en 18 juli en 9 meldingen op 14 juli. De voortdurend aanlandige wind zal zeker hebben bijgedragen aan het aanspoelen van deze grote aantallen. Net als in juni waren veel kadavers rot. Andere soorten dan bruinvis zijn deze maand niet gemeld.

      In het Deltagebied zijn 28 bruinvissen gevonden (waarvan 2 in de Oosterschelde), langs de Hollandse kust 41 (20 ten zuiden van IJmuiden, 21 ten noorden ervan), en in het Waddengebied 22 (Texel 6, Vlieland 12, Terschelling 2, Schiermonnikoog 1, Lauwersoog 1). Er is slechts 1 bruinvis levend gestrand (28 juli, Domburg).

    • Maandoverzicht juni 2016

      In juni 2016 zijn 66 strandingen ontvangen, uitsluitend van bruinvissen. Dat is anderhalf keer meer dan het gemiddelde over 2005-2015, dat op 42 ligt. Dat meerjarig gemiddelde wordt ook nog sterk omhoog getrokken door het bijzonder hoge aantal van 91 strandingen in juni 2013, want zonder dat jaar ligt het gemiddelde op 37. Afgezien van de eerste week van juni, toen de wind in de noordhoek zat, was de hoofdrichting van de wind zuidwest tot noordwest, dus dat zal zeker geholpen hebben bij het hoge aantal. De dode dieren kwamen deels van verder weg, want een flink aantal was behoorlijk rot.

      Dit keer zijn uit het Deltagebied de minste meldingen ontvangen, namelijk 20 (waarvan 4 uit de Oosterschelde). 'Koploper' deze maand was de Hollandse kust, met 24 stuks (19 Zuid-Holland, 5 Noord-Holland) en ook uit het Waddengebied waren er meer dan in het zuiden, namelijk 22 (4 van Texel, 10 van Vlieland, 1 van Terschelling, 3 van Ameland, 2 van Schiermonnikoog, 2 van Engelsmanplaat).

      Het voorjaar is de tijd van de kalfjes: de vroegste dit jaar (voor zover bekend, want van niet alle dieren is een lengteopgave en/of foto ontvangen) is gemeld op 2 juni. Van de 66 strandingen waren er 15 met zekerheid kalf (bijna 23%). Het is al veel langer bekend – of beter gezegd: er wordt al veel langer beweerd – dat de sterfte onder jonge bruinvissen 'altijd' hoog is. Of bijna een kwart hoog of laag is, is echter niet goed bekend. In het jaaroverzicht van 2015 lezen we dat de jongensterfte in de afgelopen jaren, op grond van lengteopgaven, lag op ….. 23%.

      Er zijn deze maand twee bruinvissen levend gestrand (23 en 29 juni). Die van 23 juni, op Texel, was in zoverre bijzonder dat het enige tijd na melden niet meer is teruggevonden, terwijl ook op de dagen erna geen dode bruinvis in de omgeving is gevonden. Misschien heeft dit dier zelf de weg terug naar het water gevonden, of heeft een voorbijganger hem teruggezet.

    • Maandoverzicht mei 2016

      Normaal gesproken zijn, over een heel jaar bezien, mei en juni 'slappe' maanden wat betreft bruinvisstrandingen: in deze periode strandt 7-8% van het jaartotaal. Als dat ook dit jaar het geval is, gaat het jaartotaal uitkomen op zo'n 700 bruinvissen, een aanzienlijk aantal! In mei dit jaar zijn dan ook veel meer strandingen genoteerd dan het meerjaarlijkse gemiddelde van 39, namelijk 49 stuks. De tellingen van de afgelopen maanden voorspellen eveneens een ongeveer twee keer hoger aantal dode walvissen dan vorig jaar.

      Uit de Delta zijn deze maand 25 strandingen ontvangen (waarvan 1 in de Wester- en 1 in de Oosterschelde), van de Hollandse kust slechts 5 (nul ten noorden van het Noordzeekanaal), en van de Wadden 19 (1 op Texel, 6 op Vlieland, 3 op Terschelling, 1 op Schiermonnikoog, 4 op Rottumeroog - waaronder enkele hele oude kadavers - en 2 op zowel de Friese als de Groningse vastelandskust). Er is deze maand een bruinvis levend gestrand (22 mei Lauwersoog), terwijl dat van een andere werd vermoed (18 mei Maasvlakte 2).

      Naast de 48 bruinvissen is in mei op Texel een deel van een schedel gevonden van een niet recent gestrande kleine walvis.

    • Maandoverzicht april 2016

      Net als in maart dit jaar was ook het aantal in april gestrande walvissen wat hoger dan normaal, zij het niet zo extreem als in maart: 48, tegen 42 gemiddeld. Het gemiddelde is echter een stuk lager (36) als de 111 strandingen van april 2013 niet worden meegerekend.

      In de Delta zijn 21 walvissen gevonden (met een opvallend aantal van 3 in de Oosterschelde en 5 in de Westerschelde), langs de Hollandse kust 13, en op de Wadden 14 (4 op Vlieland, 3 op Terschelling, 2 op Ameland, 2 op Schiermonnikoog, 2 op de Friese kust en 1 in Groningen). Een aantal zaken valt op: de wat hogere aantallen in Ooster- en Westerschelde; de genormaliseerde aantallen in Noord-Holland; de afwezigheid (op 1 na) in de omgeving van Ouddorp. Er is deze maand slechts 1 bruinvis levend gestrand (5 april Terschelling).

      Bijzonder was de tweede spitssnuitdolfijn van dit jaar, die net als de eerste strandde in de Westerschelde. Het betrof nu een vrouwtje, nog iets groter dan het mannetje van maart. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden waren noch de Universiteit Utrecht noch Naturalis in staat het kadaver te bergen en is het ter destructie afgevoerd. Dat is om meerdere redenen erg jammer: ten eerste zijn vrouwtjes spitssnuitdolfijnen erg lastig te determineren, omdat hun tanden niet doorbreken en de positie in de kaak dus geen aanwijzing geeft voor de soort, ten tweede kan de doodsoorzaak niet worden achterhaald, en ten derde weten we nu zeker dat er niets gezegd kan worden over eventuele maaginhoud en parasieten.

      Naast deze rij van strandingen in Nederland zijn in april nog twee bijzondere strandingen net over de grens gemeld in de Schelde in België, namelijk van een narwal op 27 april en van een gewone dolfijn op 30 april, de laatste nota bene vlakbij de plek waar de dode narwal werd gevonden. (Er zijn in 2016 reeds twee gewone dolfijnen in Nederland gemeld, namelijk op 31 januari bij Zurich en op 21 februari bij Harlingen.) Er was in België nog nooit eerder een narwal gevonden en ook in Nederland is die soort een extreme zeldzaamheid: bij ons is slechts 1 waarneming bekend, van een vrouwtje dat in 1912 de Zuiderzee was ingezwommen en bij Elburg haar droevig einde vond toen zij werd doodgeslagen door een visser. Ook elders wordt deze soort zeer sporadisch waargenomen: er zijn sinds 1500 slechts 14 dieren gevonden of gezien, te weten 10 in Groot-Brittannië, 1 in Duitsland, 2 in de Oostzee en 1 in Nederland. Narwallen zijn walvissen van het Noordpoolgebied en worden maar zelden ver van het pakijs waargenomen. Beide walvissen worden in dit overzicht vermeld omdat ze België – zwemmend of drijvend – hebben bereikt via de Westerschelde, en dus ook even op Nederlands grondgebied zijn geweest.

    • Maandoverzicht maart 2016

      Het verwachte maartstrandingspiekje was dit jaar nadrukkelijk aanwezig: er zijn maar liefst 80 bruinvissen gemeld, twee keer zo veel als vorige maand. Dat is veel meer dan het maartgemiddelde van 59 over 2005-2011, zij het geen record: in 2013 strandden er 111, in 2006 100 en in 2014 82. Ter vergelijking: in 2015 was het totaal over januari-maart slechts de helft van dit jaar, in de piekjaren 2011 en 2013 was dat respectievelijk 109 en 214. Meestal is maart goed voor zo'n 10% van het jaartotaal (zie figuur, correlatie 81%); als dat ook voor dit jaar opgaat, kunnen we dus onze borst natmaken! 

      Relatie tussen jaartotaal (staven, linker y-as) en percentage in maart gestrande bruinvissen (stippen, rechter y-as).

      Vooral de mensen in het zuidwesten des lands hebben het flink voor hun kiezen gekregen: van de 80 bruinvissen is ruim de helft uit die hoek afkomstig (47 dieren, waarvan 1 in de Oosterschelde). De Hollandse kust had weinig strandingen (11, waarvan slechts 2 in Zuid-Holland), de wadden wat meer dan anders en nu ook op elk bewoond eiland (22, waarvan 6 op Texel, 9 op Vlieland, 1 elk op Terschelling, Schiermonnikoog en Engelsmanplaat, en 2 elk op Ameland en Rottumerplaat). Er zijn geen andere soorten gevonden.

      Verreweg de meeste maartbruinvissen zijn traditiegetrouw gemeld van Goeree, op het traject Ouddorp - Oostdijk - Kwade Hoek, een stuk strand van ongeveer vijf kilometer. 'Topdagen' daar waren 11 maart met 6 exemplaren en 20 maart met 8. Gezien de aard van de kadavers (in lappen gescheurd, of alles opgegeten met uitzondering van kop en staart) lijkt het erop dat daar ten minste een maar vermoedelijk enkele grijze zeehonden actief op bruinvissen hebben gejaagd. Elders zijn vergelijkbaar toegetakelde kadavers aangetroffen bij Katwijk (1 exemplaar, 16 maart), Bergen (1, 23 maart), Camperduin (2 op 26 maart) en Petten (2 op 16 maart). Het eerste (vermoedelijk door grijze zeehond) toegetakelde kadaver van Goeree is gemeld van 28 februari, waarna lokaal de bruinvishel losbarstte. Weliswaar zijn al daar al op 20 januari twee losse achterlichamen van bruinvissen gevonden, maar die zagen er toch anders uit. Na 28 maart zijn de grijze zeehonden bij Ouddorp of vertrokken, of overgegaan op een ander dieet, of waren de bruinvissen lokaal verdwenen (of speelt er een combinatie van deze factoren), want na die datum zijn daar tot moment van schrijven van dit overzicht (6 april) geen verscheurde bruinvissen meer gemeld.

      Er zijn twee levende bruinvissen gevonden: 19 maart op Texel (man) en 28 maart op Vlieland (vrouw).

      Heel bijzonder was de gewone spitssnuitdolfijn die op 7 maart strandde bij Borssele, de 22e van deze soort in ons land. Het dier was eenvoudig te determineren aan de hand van de vorm van de kop en de positie van de twee tanden in de onderkaak, die bij alle volwassen mannetjes spitssnuitdolfijnen iets uitsteken. Sectie wees geen duidelijke doodsoorzaak aan, maar de maag was leeg, wat er op wijst dat het dier al enige tijd niets had gegeten.

    • Jaaroverzicht 2015

      Het jaaroverzicht over 2015 is online. Het is hier ook te downloaden als pdf.

    • Maandoverzicht februari 2016

      Februari 2016 is zowel qua soorten als qua biomassa iets minder respectievelijk veel minder spectaculair verlopen dan de maand ervoor: er zijn 41 bruinvissen gestrand en 1 gewone dolfijn. Januari 2016 was met z'n 6 potvissen en 3 dolfijnen dan ook onovertroffen! Toch was de gewone dolfijn van 21 februari bij Harlingen - ondanks zijn naam - ook bijzonder: inclusief dit exemplaar bevat de database er nu 88, de oudste uit 1860. In het midden van de twintigste eeuw dook de soort plotseling op in de zuidelijke Noordzee, gezien de sterke stijging in het aantal strandingen in de jaren 1931-1960: van de 86 die sinds 1900 zijn gestrand, strandden er 68 (76%) in die 30 jaar, waarvan 32 (37%) in 1941-1950. Na 1960 is de populatie even plotseling als hij opdook weer verdwenen; in de jaren 1971-1980 is er zelfs niet één gewone dolfijn gemeld (zie de grafiek van strandingen van gewone dolfijnen per decennium in het jaaroverzicht van 2014).

      Vorige maand meldden we dat het aantal bruinvissen rond het meerjarige maandgemiddelde sudderde. Dat is ook in februari 2016 het geval, maar dat mag nu een bijzonderheid heten, gezien de lage aantallen van de afgelopen maanden: de 41 bruinvissen van februari dit jaar liggen zelfs een fractie boven het meerjarig februarigemiddelde van 38 exemplaren, en het is bijna het dubbele van het januaritotaal.

      In de Delta strandden in februari 12 bruinvissen, langs de Hollandse kust 6 (waarvan 4 bij Petten), en uit het waddengebied maar liefst 24 (Texel 2, Vlieland 3, Terschelling 2, Ameland 12 (!), Schiermonnikoog 2, Rottumerplaat 1 en Friese vastelandskust 1). De aantallen van Petten en Ameland vallen natuurlijk op. Gezien de verscheurde en gerafelde maar vaak verse kadavers op deze lokaties lijkt het erop dat er daar grijze zeehonden verblijven die zich hebben gespecialiseerd in het vangen van argeloze bruinvissen.

      Een apart geval deed zich voor bij Sexbierum, waar op 29 februari een bruinvis op de dijk werd aangetroffen zonder kop, zonder ingewanden, met touw om de staart en met foetus ernaast.

      Er zijn deze maand twee bruinvissen levend gestrand (op Ameland en bij Scheveningen).

    • Recente potvisstrandingen in de Noordzee

      De stranding van zes potvissen in januari op Texel staat nog vers in het geheugen en zoals bekend strandden ook elders in de zuidelijke Noordzee potvissen. De BBC publiceerde recent bijgaand kaartje, gefabriceerd door de Sea Watch Foundation, met de aantallen tot nog toe. Het lijkt erop dat de strandingen nu wel voorbij zijn. Toch is op 11 februari tijdens een vliegtuigtelling van vogels en zeezoogdieren bij de Doggersbank nog een levende potvis waargenomen.

      Op de kaart is goed te zien dat de potvissen zich lijken 'vast te zwemmen' in de 'fuik' die de zuidelijke Noordzee vormt tijdens hun zuidwaartse trek; het beeld komt exact overeen met de kaart die eerder door Smeenk (1997) werd geproduceerd naar aanleiding van strandingen vanaf de achttiende eeuw tot en met 1995. De potvissenstranding van januari 2016 is vermoedelijk de omvangrijkste ooit, hoewel de strandingen uit 1995-1996 van 25 exemplaren en 1997-1998 van 28 heel dicht in de buurt komen.

    • Maandoverzicht januari 2016

      Het was een bijzondere maand voor aangespoelde walvissen, vooral vanwege de 6 potvissen op Texel op 12 en 14 januari en de 2 gestreepte dolfijnen op Ameland op de 19e. Bovendien werd, op de valreep, nog een gewone dolfijn gemeld op 31 januari. Deze laatste werd als 'bijzondere vis' gefotografeerd aan de wadkust bij Zurich, waarna de foto ter determinatie is voorgelegd aan mensen van Zeehondencrèche Pieterburen. Zij herkenden het dier als gewone dolfijn en zijn direct naar Zurich gereden om hem voor onderzoek te bewaren. Helaas bleek het kadaver al met de inmiddels opgekomen vloed te zijn verdwenen, maar misschien komt het de komende dagen nog ergens opnieuw aan land.

      Over de Nederlandse potvissen is al voldoende gezegd (zie nieuwsbericht hieronder), hoewel het onderzoek aan de verzamelde onderdelen nog gaande is. Nieuwe resultaten worden bij de individuele strandingen bijgewerkt. Interessant is dat de stranding in Nederland onderdeel was van een veel groter gebeuren in de zuidelijke Noordzee: direct voorafgaand aan de stranding in Nederland waren al 6 potvissen gestrand in Duitsland, terwijl vlak na de stranding in Nederland aan de Britse oostkust 5 exemplaren zijn aangespoeld. (Bovendien spoelden op 1 februari wederom 8 potvissen aan in Duitsland.)

      Het aantal bruinvissen suddert de laatste maanden rond het maandgemiddelde over 2015: er zijn er 22 gemeld. Dat is aanzienlijk lager dan het meerjarig januarigemiddelde (33) en geheel in lijn met de afgelopen maanden.

      Uit de Delta zijn 7 meldingen van bruinvissen ontvangen, van de Hollandse kust 4 (maar 0 uit Noord-Holland), en uit het waddenzeegebied 11 (Vlieland 2, Terschelling 3, Ameland 4, Schiermonnikoog 1, Friese kust 1). Alleen de bruinvis van 21 januari van Ameland is misschien levend gestrand. Het betrof een opmerkelijk klein exemplaar (84 cm) dat mogelijk een vergroeide wervelkolom had. Het dier is bewaard voor onderzoek.

    • Massastranding van potvissen op Texel

      Cris Toala Olivares

      Het zal niemand zijn ontgaan dat er op dinsdag 12 januari 2016 vijf levende potvissen zijn gestrand op Texel bij de Jan Ayeslag, ten westen van Den Hoorn: de dieren figureerden in alle journaals op televisie en radio en ook diverse media op internet besteedden er ruimschoots aandacht aan. Twee dagen later strandde een zesde potvis op de zuidpunt van Texel, bij de TESO-haven. Min of meer gelijktijdig zijn ook in het noorden van Duitsland zes potvissen op land terechtgekomen. Zo'n stranding is echt bijzonder, niet zo zeer dát er potvissen stranden, maar wel het aantal. Sinds onze vroegste stranding bevat de nationale database (walvisstrandingen.nl) nu gegevens van 40 strandingen met in totaal 71 exemplaren.

      Strandingen door de eeuwen heen

      Strandingen van grote walvissen hebben altijd de aandacht getrokken en zijn ook vaak vastgelegd, tegenwoordig natuurlijk op foto's, films, in kranten, op televisie enzovoort, vroeger ook bijvoorbeeld op schilderijen. Vooral dankzij de historische afbeeldingen gaat onze kennis eeuwen terug: de oudste potvisstranding die we uit Nederland kennen dateert van ongeveer 1255. Door soms onduidelijke berichtgeving is het precieze aantal niet altijd duidelijk en vaak geldt: hoe ouder des te onduidelijker. Als er een groep potvissen voor de kust was, is niet altijd de hele groep gestrand, en soms zijn gestrande dieren weer spontaan losgewoeld of door de vloed opgetild en weggezwommen; een voorbeeld daarvan vond plaats in december 1577, toen er van een groep van naar schatting 13 potvissen bij Ter Heijde 3 strandden, maar de rest weer de zee op is verdwenen.

      Soms meer dan één

      Strandingen van meer dan één exemplaar tegelijk in ons land zijn zeldzaam: we kennen voorbeelden van 1255 (maand onbekend, 2 in de Kop van Noord-Holland), januari 1617 (2 op Goeree, 1 bij Noordwijk), december 1761 - februari 1762 (9, verspreid van Texel tot Terschelling, in februari nog 1 tussen Zandvoort en Wijk aan Zee), februari 1937 (2 op de Middelplaat, in de Westerschelde), januari 1995 (3 bij Scheveningen), november 1997 (4 op Ameland, 1 bij Wassenaar), en november 2004 (2 Richel, bij Vlieland). Daarnaast zijn er recent waarnemingen van groepen voor de kust, die dus (net) niet zijn gestrand, bijvoorbeeld in april 1993 (6 boven Ameland), december 2000 (5 op zee voor Schouwen) en december 2002 (3 boven Ameland). Ook elders in de Noordzee zijn potvismassastrandingen bekend, met aantallen die soms zelfs de 20 ruim overschrijden, zoals bijvoorbeeld in winters 1995-1997 in Denemarken. Opvallend is dat er vaak een solitair mannetje strandt, maar het een andere keer een hele groep mannetjes betreft. De solitaire dieren zijn altijd erg groot (15 meter of meer), terwijl de dieren die in groepen stranden kleiner en dus waarschijnlijk jonger zijn (10-12 meter). Inderdaad blijken volwassen mannetjes veelal solitair te leven, terwijl de jonge mannen – men zegt van 15 tot 21 jaar oud – zich in groepen ophouden. De lengte van de recente mannetjes van Texel bevonden zich in de range van 10-12 meter (precieze lengtes moeten nog ontvangen worden), dus ook nu ging het om een groep 'kwajongens'.

      Herkomst en strandingsoorzaak

      Potvissen komen voor in het diepe water van alle wereldzeeën. Een deel van het jaar leven de seksen deels gescheiden: mannetjes trekken in de zomer naar de poolstreken om daar vanaf juni naar eten te zoeken, maar gaan aan het begin van de winter weer zuidwaarts (noordwaarts op het Zuidelijk Halfrond) naar de tropen om de vrouwtjes te bezoeken. Jonge mannetjes blijven enkele jaren bij de vrouwtjes voordat ze met de grote jongens mee op reis mogen. Bij hun zuidwaartse trek vanuit het noordpoolgebied of Noorse wateren volgen sommige potvissen misschien de Noorse trog, die aan de zuidpunt van Noorwegen 700 meter diep is, diep genoeg voor de inktvissen Gonatus fabricii, Teuthowenia megalops en al die andere soorten met fraaie namen; deze inktvissen vormen het hoofdvoedsel van potvissen. Eenmaal in Zuid-Noorwegen zijn de potvissen al in de noordelijke Noordzee beland. Als ze daarvandaan zuidwaarts koersen komen ze automatisch in de ondiepere Noordzee terecht .… en zitten ze vermoedelijk in de val. Potvissen navigeren met behulp van sonar, net als vleermuizen: ze stoten geluiden uit en vormen zich aan de hand van de echo's een beeld van hun omgeving. Omdat in de zuidelijke Noordzee de bodem geleidelijk oploopt, komen er van uitgestoten geluiden geen echo's terug. De dieren menen daarom zuidwaarts te kunnen doorzwemmen, totdat ze in dermate ondiep water terecht komen dat omkeren niet meer mogelijk is. Of er ook potvissen zijn die tijdig hun fout onderkennen en omkeren is onbekend. Uit het Kanaal zijn echter geen waarnemingen van potvissen bekend, dus die route nemen ze niet, of in ieder geval niet vaak. Gelukkig trekken de meeste potvissen vanaf de Noorse kust verder westelijk zuidwaarts, tussen de Shetland- en Faeroer-eilanden door, waar het water diep is en er geen zandige of glooiende kusten zijn om op vast te lopen.

      Populatiegrootte

      Men denkt dat de potvispopulatie voordat de walvisvaart begon wereldwijd zo'n 1,1 miljoen exemplaren omvatte. Rond 1990 zou die door de zware jachtdruk zijn gereduceerd tot 360.000 individuen, waarbij met name in de periode 1940-1980 een enorm gat is geslagen in de populatie. Het zal duidelijk zijn dat deze getallen voorzichtig moeten worden beschouwd, maar ze geven wel een idee over de talrijkheid van de soort in het verleden en de zeldzaamheid tegenwoordig. Momenteel schijnen alleen nog Japan en Indonesië op potvissen te jagen. Op de rode lijst van de IUCN staan potvissen als kwetsbaar aangemerkt, maar is de soort (nog) niet bedreigd. Met het stranden van twaalf potvissen in de zuidelijke Noordzee komt de populatie duidelijk niet in gevaar.

      Toename in strandingen?

      Volgens bijgaande figuur lijkt het aantal strandingen recent te zijn toegenomen. Of dat werkelijk zo is, is de vraag, want we zien ook een concentratie van strandingen aan het begin van de zeventiende eeuw. Breder bekeken is dat beeld nog sterker, want er zijn door de tijd vele potvisstrandingen in het Noordzeebekken geweest.

      Er zijn, tegenwoordig en in het verleden, diverse oorzaken geopperd voor potvisstrandingen. Ze lopen uiteen van ziekte, geluidsoverlast (gehoorschade), slechtweerperiodes en klimaatverandering tot storingen in het aardmagnetisch veld, stand van de maan, schommelingen in de zonnevlekkencyclus, verband met (stoppen van) walvisvaart en voedseltekort. Hoe het ook zij, het is duidelijk dat er tientallen jaren voorbij kunnen gaan zonder dat er een potvis op het strand te bekennen valt, tot je ineens struikelt over groepen levende of dode potvissen. Recent is er inderdaad een verband gevonden tussen warmere periodes en potvisstrandingen, maar de oorzaak is onbekend. Men veronderstelt weliswaar dat de warme periodes van invloed zouden zijn op de verspreiding van de belangrijkste prooi, de inktvis Gonatus fabricii, maar omdat de verspreiding van die soort niet goed bekend is, en veranderingen daarin in verband met temperatuur al helemaal niet, blijft dat giswerk. Het zou natuurlijk mooi zijn als de relatie tussen de verspreiding van deze inktvis en die van de potvis eens uitgezocht zou gaan worden, maar zover is het nog niet. De potvissen die in de Noordzee zijn gestrand én waarvan de leeftijd is bepaald varieerden in leeftijd van 12 tot 57 jaar, maar de meeste waren 20-36 jaar oud. Voortplanting bij potvissen gaat erg traag: vrouwtjes werpen eens in de 3-6 jaar een jong. Mannetjes die nu 36 jaar oud zijn, zijn dus geboren in 1980, de tijd dat de jacht in de Atlantische Oceaan op potvissen stopte. Hoewel dat mooi samenvalt, valt vanwege die trage voortplanting niet te verwachten dat er na de het stoppen van de jacht ineens een explosie van jonge potvissen optrad. De samenhang met het stoppen van de jacht kunnen we dus vermoedelijk schrappen, maar de toekomst zal moeten uitwijzen of dat inderdaad zo is.

      Potvisonderzoek, en verder ….

      Er is onderzoek gedaan aan de onlangs gestrande potvissen, zowel uit- als inwendig. De volledige resultaten hiervan zijn nog niet ontvangen, maar we kunnen de volgende zaken alvast melden:

      - er waren geen duidelijke doodsoorzaken aan te wijzen anders dan 'dood door stranding',

      - de potvissen waren in prima conditie en dus niet verzwakt, zoals hier en daar wel is beweerd,

      - in de magen, maar vooral in de darmen, zijn voedselresten aangetroffen van inktvissen en vis. In ieder geval is zeeduivel herkend, maar het minutieus uitpeuteren van de visbotjes moet nog gebeuren,

      - in een van de magen zat een vishaak, in een andere maag een opgerold touw en wat plastic zakken (alle maaginhouden worden bewaard),

      - gehoorschadeonderzoek is helaas niet verricht, omdat er geen toestemming is gegeven om in de koppen te snijden,

      - er waren geen uitwendige parasieten aanwezig. Misschien zijn die er nooit geweest, misschien zijn ze verdwenen omdat de dieren langdurig in de branding hebben liggen rollen.

      Het lijkt er dus op dat de potvissen inderdaad op hun weg naar het zuiden zijn gestrand omdat ze per ongeluk in de Noordzee zijn beland. Normaal gesproken worden van alle walvissen in Nederland het gehele skelet of desnoods onderdelen ervan bewaard. Uitzondering zijn bruinvissen, waarvan er jaarlijks honderden stranden, hoewel ook van die soort met regelmaat enkele complete skeletten en weefselmonsters worden opgeslagen. In het geval van de zes potvissen van januari van dit jaar stond helaas geen enkel museum of ander instituut te springen om zelfs maar een enkel compleet skelet in zijn collectie op te nemen. Er zijn van alle dieren wel weefselmonsters genomen, en van althans één dier een flipper met bijbehorend schouderblad. De overige potvissen zijn in onderdelen vervoerd naar de destructie.

      Bronnen:

      - Evans P.G.H. 1997. Bulletin van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen 67(suppl.): 37-46.

      - International Whaling Commision (www.iwc.int)

      - IUCN redlist (www.iucnredlist.org)

      - Pierce G.J., M.B. Santos, C. Smeenk, A. Saveliev & A.F. Zuur 2007. Fisheries Research 87: 219-228.

      - Tougaard S. & C.C. Kinze 1999. Biological Papers 1, Fisheries and Maritime Museum, Esbjerg.

      - Van Deinse A.B. 1946. Zoologische Mededeelingen 26: 130-210.

      - Van der Meij S.E.T. & C.J. Camphuysen 2006. Lutra 49: 3-28.

      - waarneming.nl (www.waarneming.nl)

      - Whitehead H. 2002. Marine Ecology Progress Series 242: 295-304.