Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Nieuws 2014

    • Jaaroverzicht walvisstrandingen 2014

      Het totale aantal aangespoelde walvissen in 2014 is wat lager uitgekomen dan in voorgaande jaren, namelijk 579 (figuur 1). Na drie jaren met aantallen boven de 700, en in 2011 en 2013 zelfs bijna 900, zijn we daarmee weer op het niveau van 2006 (toen er 560 walvissen strandden).

      Figuur 1. Aangespoelde walvissen per jaar op de Nederlandse kust, 2000-2014. Oranje balken zijn bruinvissen, zwarte balken andere soorten.

       

      Zeven soorten in 2014

      Er zijn in 2014 acht soorten gemeld. Hieronder waren een gewone vinvis (20 augustus Scheveningen, de 37e voor ons land), een dwergvinvis (12 juni Terschelling, de 33e), een gewone dolfijn (15 maart Ouddorp, de 86e), een griend (17 december Nieuw-Haamstede, de 21e), een orka (11 augustus Noordwijk, de 32e), een potvis (25 juni, Wassenaar-Scheveningen, de 66e), een tuimelaar (augustus Terschelling, de 374e) en een witsnuitdolfijn (25 januari Petten, de 232e).

      De gewone vinvis dreef levenloos voor de kust bij Scheveningen en bleek zware inwendige verwondingen te hebben. Ook deze gewone vinvis lijkt weer te zijn aangevaren door een schip. Of dat in de zuidelijke Noordzee is gebeurd is twijfelachtig: dit gebied is eigenlijk niet geschikt voor deze soort, omdat zijn voedsel er niet voorkomt. Veel gewone vinvissen leven in de Golf van Biskaje. Het is niet uitgesloten dat het dier daar is aangevaren en op de 'bulb' van het schip is meegevoerd naar de Noordzee, waar hij er is afgegleden. Het is in dit verband ook vermeldenswaardig dat het in de dagen voor 20 augustus stormachtig was; een vinvis op de 'bulb' glijdt er met flinke golfslag natuurlijk gemakkelijk af. Deze vinvis kunnen we dus in het rijtje scharen van 'door schepen aangevoerde walvissen' zoals dat al in het jaaroverzicht van 2013 ter sprake kwam.

      De dwergvinvis van Terschelling betrof een jong exemplaar dat geheel was vergaan. Er is contact gezocht met de vinders om nog een onderdeel te bewaren als bewijs, maar dat bleek niet meer mogelijk. De gewone dolfijn van Ouddorp was al geruime tijd dood en rot, maar nog wel compleet. De soort is vanaf de jaren 1930 toegenomen en de piek in strandingen viel in de jaren 1930-1960 (figuur 2). Als we het totale aantal meldingen bekijken lijkt het dus of de gewone dolfijn behoorlijk algemeen is, maar het tegendeel is het geval: sinds 2000 zijn er maar 4 gemeld! Het is dus een grote zeldzaamheid. Dit geldt ook voor de griend, waarvan weliswaar nu 22 meldingen zijn (er is er ook een gestrand in januari 2015), maar sinds 2000 zijn er slechts 4 gevonden. Zie voor meer informatie over grienden in ons land dit bericht.

      Figuur 2. Strandingen van gewone dolfijnen in Nederland per decennium.

      De potvis lag verspreid over een groot stuk strand, in brokken en stukken, en is gedetermineerd door middel van DNA-analyse. De andere soorten die in 2014 de revue passeerden, betroffen alle botvondsten: tuimelaar (alleen rechter onderkaak), witsnuitdolfijn (alleen linker onderkaak), en orka (alleen rechter onderkaak).

      Hoewel de zuidelijke Noordzee, dus ook Nederland, niet bijzonder rijk is aan walvissoorten, komen er toch diverse soorten met enige regelmaat voor, ook soorten die niet of nauwelijks (levend) worden gezien. Het noteren van strandingen levert daarmee duidelijk extra informatie op over voorkomen van die soorten. Apart is dat het aantal soorten dat jaarlijks gemeld wordt stijgt: in de jaren 1990 lag het gemiddelde op 4, met alleen in 1996 5 soorten, maar sinds 2000 ligt het gemiddelde op (ruim) 5, met maximaal 8 soorten in 2010. 2014 was dus wat soorten betreft bovengemiddeld 'goed' – zij het dat het om dode dieren ging.

      Figuur 3. Aantal gestrande walvissoorten per jaar sinds 1990.

       

      Bruinvis

      Wederom was de talrijkste walvis op onze stranden de bruinvis, waarvan 571 meldingen zijn ontvangen. Dat was ruim minder (namelijk 65%) dan de bijna 900 in zowel 2013 als 2011, terwijl ook het aantal in 2012 hoger was (figuur 1). Ten opzichte van andere jaren waren met name de maanden april en mei 'mager', met respectievelijk ongeveer de helft en driekwart van het gemiddelde voor die maanden (figuur 4).

      Figuur 4. Bruinvisstrandingen per maand in 2014 (staven, linker as), vergeleken met de periode 2005-2013 (percentages, blauwe lijn, rechter as).

      Vanaf eind augustus nam het aantal aanzienlijk toe, met hoogste dagelijkse aantallen op 18 augustus en 9 september met elk 11 meldingen. Na september zakte het aantal echt in, met het dieptepunt in oktober met ongeveer de helft van het gemiddelde. We kunnen natuurlijk slechts gissen naar de oorzaak, maar de afgelopen jaren hebben geleerd dat de aantallen flink en abrupt kunnen fluctueren. Voor de hand ligt een reactie op de voedselsituatie voor de Nederlandse kust, waarbij kennelijk de geprefereerde bruinvisprooien elders vertoeven, maar er zijn natuurlijk andere scenario's mogelijk, bijvoorbeeld dat het elders nog veel beter is dan bij ons. Het is overigens opmerkelijk dat in 2013 de maanden maart-mei extreem hoge aantallen lieten zien, met een absoluut maandrecord van 199 bruinvissen in mei, terwijl daar in 2014 juist een 'gapend gat' zit. Ook de maanden juli-oktober, normaal gesproken goed voor ongeveer de helft van het jaartotaal, reikte nu niet hoger dan 42% van het jaartotaal van 2014. De grafiek laat zien dat dat vooral wordt veroorzaakt door het zeer lage aantal in oktober.

      In de meeste jaren neemt het Waddengebied ruim een derde van de absolute aantallen dode bruinvissen voor zijn rekening, gevolgd door Noord-Holland en de Delta met beide ongeveer een kwart; in Zuid-Holland wordt gemiddeld iets minder dan een vijfde van het totaal gevonden. In 2014 was dat geheel anders: de hoogste aantallen werden nu in zowel Waddengebied (204 exemplaren) als Delta (208) gemeld, in Zuid-Holland (117) een vijfde, maar in Noord-Holland een schamele 7% (42 exemplaren). Als we de getallen omrekenen naar het gemiddelde aantal dode bruinvissen per kilometer, lijken de deelgebieden in 2014 niet erg onder te doen voor de jaren ervoor, met uitzondering van Noord-Holland, dat ook wat dat betreft ver beneden het gemiddelde ligt (figuur 5). Voor 2013 werd eveneens geconstateerd dat aan de kust van Noord-Holland minder bruinvissen strandden.

      Figuur 5. Gemiddeld aantal bruinvissen per kilometer per deelgebied voor 2014 vergeleken met 2005-2013.

       

      Figuur 6. Gemiddeld aantal bruinvissen per kilometer per maand voor 2014 vergeleken met 2005-2013 voor de verschillende deelgebieden. Let op de afwijkende y-as voor Noord-Holland.

      In 2012 werd een verschuiving in aantallen geconstateerd van het Waddengebied naar het zuiden van het land, maar dat beeld is inmiddels niet meer terug te vinden. Het blijft overigens lastig om het Waddengebied te vergelijken met de gebieden ten zuiden ervan, omdat in die laatste, en zeker de Hollandse kust, de zoek-/vindfrequentie vast hoger is. Denk maar eens aan de oostpunten van met name Terschelling en Schiermonnikoog, en de uitgestrekte Vliehors, alle gebieden waar maar weinig mensen komen. Aan de andere kant is dat in andere jaren ook zo geweest, dus misschien gaat de vergelijking minder mank dan gevreesd.

      De maartpiek in strandingen is in 2014 vooral veroorzaakt door strandingen in de Delta: daar werd in die maand bijna een kwart van het jaartotaal gevonden (ter vergelijking: voor de Wadden was dat 8%, voor Noord-Holland 12% en voor Zuid-Holland 9%). Daarentegen was de nazomerpiek in september juist in Noord-Holland bijzonder geprononceerd en maakte het maandtotaal bijna 30% uit van het jaartotaal voor dat deelgebied (Wadden en Zuid-Holland beide 12%, Delta 11%). Er is geen enkel deelgebied dat het klassieke overall-strandingspatroon vertoont, met pieken in maart en nazomer. Uiteraard krijgt dergelijk cijferwerk meer betekenis als het over een langere periode dan slechts één jaar wordt berekend. Toch lijkt er langs de Noord-Hollandse kust echt iets aan de hand, want op moment van schrijven van dit jaaroverzicht (april 2015) ligt het kilometergemiddelde van de Noord-Hollandse kust al sinds oktober 2014 ver beneden dat van de andere deelgebieden en ver onder het meerjarig gemiddelde.

      Het aandeel gesekste bruinvissen was in 2014 wat lager dan in andere jaren (43% tegenover 51% over 2005-2013). Het aandeel mannetjes lag al jaren boven de 50% (figuur 7), maar neemt door de jaren heen af: over 2005-2013 gemeten was dit gemiddeld bijna 60%, in 2014 was het krap 49%. Het is lastig om hier een verklaring voor te bedenken, want voor zover bekend zijn er geen sekseverschillen bekend in bijvoorbeeld foerageergebied, voedsel, of sterfterisico.

      Figuur 7. Percentage gestrande mannetjesbruinvissen per jaar (n=2247).

      Het aandeel gemeten (inclusief de op lengte geschatte) bruinvissen per jaar blijft redelijk constant en ligt steeds boven de 42% (met uitzondering van 2013). Vrouwen waren weer groter dan mannen (123 versus 115 cm, n = 111 gemeten en gesekste bruinvissen). Opvallend genoeg waren voor beide seksen de maten voor kleinste en grootste individuen gelijk (man 70-170 cm, vrouw 74-170 cm). De lengte-opgave voor de grootste man is een schatting, en het ligt voor de hand dat dit iets overschat is. Aan de andere kant zijn de volgende drie grootste mannelijke bruinvissen gemeten, en deze waren 158, 160 en 165 cm, dus grote mannen lijken wel degelijk voor te komen.

      Doorgaans worden de afmetingen gebruikt om de leeftijd te schatten: dieren onder 100 cm zijn jong, die tot 130 cm subadult, en daarboven volwassen. Bij mannen lijkt in 2014 een gelijke verdeling over die leeftijdsgroepen te zijn gestrand (figuur 8), maar voor vrouwen is ongeveer de helft van de gestrande dieren subadult, net als bij bruinvissen van onbekende sekse. Als we dit over een veel grotere set bekijken, zien we dat het aandeel subadulte dieren voor beide seksen (en de fractie 'onbekend') doorgaans boven de 50% ligt (62 voor mannen, 55% voor vrouwen). Andersom gezegd: het aandeel aangespoelde jonge mannetjes in 2014 was veel hoger dan voor vrouwtjes, en ook veel hoger dan in andere jaren. Mogelijk dat dit te wijten is aan de kleine steekproef, want het gaat om maar 20 mannetjes onder de 100 cm. De jongensterfte, gemeten als aandeel dieren onder 100 cm van april-oktober, was 30% en daarmee flink hoger dan in andere jaren (2005-2013 21%).

      Figuur 8. Aandeel gestrande bruinvissen per leeftijdsklasse (geschat op basis van lengte, n=241 exemplaren) voor 2014 (bovenste drie figuren) en 2005-20013 (n=3105).

      Er zijn in 2014 14 bruinvissen levend gestrand; dit is 2,5% van het totale aantal en dat is vrijwel gelijk aan het meerjarige beeld (3.0%). In tegenstelling tot bij de dode bruinvissen strandden er iets meer vrouwtjes: in 2014 waren het 5 mannen en 6 vrouwen (en 3 sekse onbekend), van 2005-2013 waren dit 53 mannen en 62 vrouwen (en 33 sekse onbekend). Ook procentueel zijn er wat meer levende vrouwen dan mannen gestrand: 6,1% tegen 3,5% (n=4949).

      Rest mij nog om wederom alle mensen die de moeite hebben genomen om dit jaar een of meer strandingen te melden hartelijk te danken voor hun inzet.

      Dit jaaroverzicht is ook te downloaden als pdf.

    • Maandoverzicht december 2014

      Ook december was rustig aan de kust met slechts 22 meldingen, wederom ruim onder het meerjarig gemiddelde sinds 2005, dat op 31 ligt. Alleen 2007 (7 strandingen) en 2010 (14) liggen hier onder.

      Uit de Delta zijn 11 meldingen ontvangen, van de Hollandse kust 7, en van de Wadden slechts 4 (Texel 3, Vlieland 1). Er is 1 levende bruinvis gestrand (20 december Ter Heijde). Het is onduidelijk waarom het aantal meldingen van de Wadden zo laag is; normaal gesproken loopt dit op tot zo'n 40% van het totaal. Mogelijk was het aantal dagen met aanlandige wind deze maand (slechts 6; bron KNMI) lager dan anders.

      Op 17 december spoelde een rot vrouwtje griend aan bij Nieuw-Haamstede (zie de berichten onder). Het kadaver is onderzocht door pathologen van de Universiteit Utrecht en het skelet zal later worden opgeslagen in de collectie van Naturalis.

    • Orka blijkt griend

      Jefferson et al. 1993
      Jefferson et al. 1993
      Jefferson et al. 1993
      Lonneke IJsseldijk

      De determinatie van het walvisje dat vorige week strandde bij Haamstede was aanvankelijk niet eenvoudig, omdat van het rotte dier kenmerken als kleur, vorm van rugvin en vorm van flippers niet meer te zien waren. Het karkas is inmiddels onderzocht door de afdeling Dierpathologie van de Universiteit Utrecht. Na de sectie is de schedel vrijgeprepareerd (zie foto onder) en toen was determinatie niet moeilijk meer.

      Op grond van de aanwezigheid van kleine tanden in de bek vielen de baleinwalvissen als mogelijkheid af. Op grond van lengte (krap vier meter) en met name de aanwezigheid van een rij tanden vielen ook de spitssnuitdolfijnen af en bleven er nog maar vier soorten over, namelijk orka, griend, zuidelijke griend en zwarte zwaardwalvis. Het aantal tanden tussen deze soorten overlapt, dus dat hielp niet erg.

       

      De schedels van orka en zwarte zwaardwalvis verschillen onder andere van die van beide grienden door de smalle premaxillae (zie tekening boven). Ook het onderscheid tussen beide grienden is goed te zien aan de schedel: bij noordelijke griend zijn de premaxillae relatief smal, waardoor de rand van de maxillae in bovenaanzicht zichtbaar is tot aan de snuitpunt. Bij zuidelijke griend zijn de premaxillae dermate verbreed, dat de rand van de maxillae maar tot halverwege zichtbaar is. De griend van Haamstede betrof dus de 'gewone' of 'noordelijke' griend, Globicephala melas.

      Grienden komen talrijk voor in de noordelijke Atlantische Oceaan. Ze jagen, soms op flinke diepte, op inktvis en vis. De dieren leven altijd in groepen. In november 2014 is er een groep van zo'n veertig grienden gesignaleerd die vermoedelijk via het Kanaal de Noordzee is ingezwommen en langs de Engelse oostkust naar het noorden is getrokken. Dit is net zo bijzonder als het voorkomend langs onze kust: sinds 1990 is langs de Britse oostkust in de zuidelijke Noordzee slechts één griend gestrand. In het noorden van de Britse eilanden is de griend een gewone verschijning.

      In ons land is griend nog zeldzamer dan orka: er zijn pas twintig strandingen bekend. Daar moet wel bij worden aangemerkt dat in het verleden soms vele dieren tegelijk zijn gestrand: 37 op 9 april 1825, en maar liefst 72 op 2 april 1856 (11 bij Arnemuiden en 61 bij Ouddorp). Daarnaast zijn er nog 6 dieren die als 'kleine walvis' in de database staan, waaronder natuurlijk heel goed grienden geweest kunnen zijn. In de meeste maanden zijn wel grienden gestrand, maar de laatste decennia is de soort erg zeldzaam.

      Vondsten van grienden in Nederland per maand.

      Vondsten van grienden In Nederland per decennium.

       

      De volgende personen worden bedankt voor hun bijdragen: Jaap van der Hiele, Lonneke IJsseldijk, Mardik Leopold, Bas Perdijk en Niek Lieshout.

       

      Bronnen:

      Jefferson, T.A. S. Leatherwood & M.A. Webber 1993. Marine Mammals of the world. FAO species identification guide. FAO, Rome.

      Van Bree PJH 1971. On Globicephala sieboldii Gray, 1846, and other species of Pilot Whales. Beaufortia 19 (249): 79-87.

       

    • Mogelijke orka gestrand bij Nieuw-Haamstede

      EHBZ-Zuidwest meldt op woensdag 17 december een spectaculaire stranding van een kleine walvis (zie hier). De determinatie is nog niet rond, maar de (rotte) kenmerken wijzen sterk in de richting van een orka.

      In de database van walvisstrandingen staan er 28. Dit is exclusief enkele subfossiele schedels of losse onderkaken die de laatste jaren voor de kust zijn opgedoken. In alle maanden op drie na zijn orka's aangespoeld, maar er is een opvallende piek in juli. Na 1963 is de soort in de zuidelijke Noordzee erg zeldzaam geworden.

      Vondsten van orka's in Nederland, per maand. Een melding zonder maand is niet opgenomen.

      Vondsten van orka's in Nederland per decennium.

    • Walvisjacht voor de Nederlandse kust

      Het zat er aan te komen, maar nu is het bewezen: grijze zeehonden jagen op bruinvissen (van Bleiswijk et al. 2014, Leopold et al. 2014)! Al in 2012 schreven onze collega's in België over twee ernstig beschadigde bruinvissen die vermoedelijk gegrepen waren door grijze zeehonden (Haelters et al. 2012).

      Beschadigde bruinvissen zijn lokaal verschijnsel

      Jaarlijks spoelen er in de zuidelijke Noordzee honderden dode bruinvissen. Verreweg de meeste worden in Nederland gemeld. Een deel van de dieren toont schokkende beschadigingen: de soms kakelverse dieren lijken met geweld te zijn opengescheurd en hebben soms zelfs gebroken botten. Tot op heden was de oorzaak onbekend en daarom werd druk gezocht naar een verklaring, die varieerde van onbedoelde bijvangst van de visserij tot scheepsschroeven. Vooral nabij Stellendam/Kwade Hoek spoelen jaarlijks tussen eind februari en eind maart tientallen beschadigde bruinvissen aan. Kleinere concentraties van verminkte bruinvissen vinden we bij Den Helder/Texel. Op andere plaatsen is het verschijnsel nog minder opvallend, maar soms worden verscheurde bruinvissen gemeld van Ameland of langs de Hollandse kust.

      Patronen van beschadiging

      Naar aanleiding van de berichten uit België zijn Nederlandse onderzoekers aan de slag gegaan. De bruinvissen die op doodsoorzaken worden onderzocht op de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht zijn met de Belgische wetenschap in het achterhoofd opnieuw bekeken aan de hand van de sectierapporten en foto's. Hiertoe zijn alle secties van 2003-2013 opnieuw door de molen gehaald. De bruinvissen bleken goed in te delen in categorieën van beschadiging: 1) rechte of hoekige stukken vlees ontbreken aan kop of keel, 2) dezelfde stukken vlees ontbreken in het midden van het lichaam, 3) of er zijn andere beschadigingen (bijvoorbeeld een ontbrekende staartvin). Veel dieren uit categorie 1 of 2 vertonen bovendien parallelle krassen op of dito gaatjes in het lichaam. Daarnaast is gepoogd DNA van grijze zeehond aan te tonen in de verwondingen. Dat laatste is gelukt bij drie bruinvissen, en dat is een primeur voor in zeewater drijvende kadavers.

      Levend gevangen

      Het is daarmee bewezen dat de bruinvissen levend worden gepakt door de grijze zeehonden, want er zijn onderhuidse bloedingen aangetroffen, en die ontstaan niet als een dode bruinvis wordt aangevreten. Op grond van het bestudeerde materiaal denken de onderzoekers dat misschien wel 25% van de onderzochte bruinvissen 'zeer waarschijnlijk' of 'misschien' ten prooi is gevallen aan een grijze zeehond. Aangevallen bruinvissen overlijden omdat ze leegbloeden. Zo'n 6% van de onderzochte bruinvissen lijkt te zijn ontsnapt aan de aanval, maar is ofwel alsnog overleden, ofwel later aan een andere doodsoorzaak bezweken. Dit blijkt uit ontstoken of geheelde kenmerkende krassen of punten die grijze zeehonden met hun klauwen toebrengen.

      Maagonderzoek ondersteunt het vermoeden

      Van de onderzochte bruinvissen is stelselmatig de maaginhoud onderzocht en ook dit leverde opmerkelijke resultaten op: er blijkt verschil te zijn in dieet tussen dieren met verwondingen aan de kop en dieren waarbij vlees elders op het lichaam ontbreekt. Bruinvissen met verwondingen aan de kop aten als laatste maaltijd pelagische vis (vis die in de waterkolom zwemt), terwijl bruinvissen die midden op het lichaam zijn gegrepen als laatste maaltijd bodemvis op het menu hadden staan. Dat bewijst dat er niet een machine aan te pas komt die de dieren willekeurig verwond. Het patroon past beter op een predator die systematisch te werk gaat.

      Grijze zeehonden maken geen onderscheid tussen mannetjes of vrouwtjes bruinvissen, maar pakken wel duidelijk vaker dan gemiddeld jonge dieren: 84% van de prooien bestaat uit onvolwassen bruinvissen. Dat is iets meer dan verwacht kan worden op grond van wat er strandt, want van het totale aandeel onderzochte bruinvissen (647 exemplaren) maken jonge dieren 66% uit.

      Doodsoorzaken van Nederlandse bruinvissen

      De belangrijkste doodsoorzaken van bruinvissen langs de Nederlandse kust zoals ze nu zijn vastgesteld door de Utrechtse pathologen zijn:

      1) bijvangst (20%)

      2) ziekte (18%)

      3) predatie door grijze zeehond (ten minste 17%)

      4) vermagering (14%)

      Het zou interessant zijn om te weten hoe het gedrag van bruinvissen jagen zich heeft ontwikkeld. Bij ons zijn, sinds de toename van de grijze zeehond in Nederlandse wateren, grote aantallen bruinvissen een relatief nieuw fenomeen, maar in bijvoorbeeld Schotland komen beide soorten al lang samen voor. Voor zover bekend zijn daar echter nooit aan stukken gereten bruinvissen gevonden. Het gedrag is dus lokaal ontwikkeld. Het is zelfs waarschijnlijk dat maar een heel klein deel van de grijze zeehonden op bruinvissen jaagt, wat een verklaring zou zijn voor de geringe verspreiding van verscheurde bruinvissen langs de Nederlandse kust.

      Het nu gepresenteerde onderzoek is een mooi resultaat van een vruchtbare samenwerking van allen die betrokken zijn bij het bruinvisonderzoek: de melders en verzamelaars van dode bruinvissen, dierpathologen, DNA-onderzoekers en ecologen.

      De pdf's van de artikelen zijn te downloaden via de hieronder staande links.

      Haelters J., F. Kerckhof, T. Jauniaux & S. Degraer 2012. The grey seal (Halichoerus grypus) as a predator of harbour porpoises (Phocoena phocoena). Aquatic Mammals 38: 343-353 [doi:10.1578./AM.38.4.2012.343]

      Leopold M.F., L. Begeman L., J.D.L. van Bleijswijk, L.L. IJsseldijk, H.J. Witte & A. Gröne 2014. Exposing the grey seal as a major predator of harbour porpoises. Proceedings of the Royal Society B. doi: 10.1098/rspb.2014.2429

      van Bleijswijk J.D.L., L. Begeman., H.J. Witte, L.L. IJsseldijk, S.M.J.M. Brasseur, A. Gröne & M.F. Leopold M.F. 2014. Detection of grey seal Halichoerus grypus DNA in attack wounds on stranded harbour porpoises Phocoena phocoena. Marine Ecology Progress Series 513: 277-281 doi: 10.3354/meps11004

    • Maandoverzicht november 2014

      In november was het rustig met de dode walvissen: er zijn er slechts 18 gemeld, alleen bruinvissen. Het gemiddelde sinds 2005 ligt op 26 en daar zaten we deze maand dus ruim onder. Er waren twee hele stille periodes: 16-22 november en 26-30 november, beide met nul meldingen. Het is verleidelijk om het lage aantal strandingen toe te schrijven aan de overwegend (zuid)oostelijke wind deze maand, maar het is natuurlijk de vraag of dat klopt, omdat de afgelopen maanden het aantal strandingen al steeds lager was dan het meerjarig gemiddelde.

      In de Delta zijn 6 bruinvissen gemeld (waarvan 1 in de Oosterschelde), van de Hollandse kust 7, en uit het waddengebied 5 (Texel 3, Balgzand 1, Friese kust 1). Er zijn geen levende bruinvissen gestrand.

    • 22 november 1934 - vandaag tachtig jaar geleden ....

      Vandaag tachtig jaar geleden .... vond Fokko Niesen twee dode bruinvissen bij Zandvoort, een man van 140 centimeter en een vrouw van 137 centimeter. Dat weten we dankzij zijn zoon Harm, die enkele jaren geleden de dagboeken van zijn vader heeft opgediept. Kees Camphuysen heeft ze doorgenomen en haalde er de bruinviswaarnemingen uit. De dagboeken van Fokko Niesen beslaan ongeveer het tijdvak 1930-1973. In die een tijd waren bruinvissen nog dermate algemeen dat Van Deinse, die tot begin jaren 1960 'alle' walvisstrandingen noteerde, de bruinvis in zijn overzichtsverslagen aangaf met lemniscaat (∞ = oneindig), omdat het niet goed bij te houden was. Bedenk dat in die tijd alles per briefkaart gemeld werd; voor bruinvis was dat kennelijk niet te doen. Op dit moment worden de waarnemingen stukje bij beetje toegevoegd aan walvisstrandingen. Uit 1930-1973 bevat de walvisdatabase zo'n 200 bruinviswaarnemingen. De dagboeken van Fokko Niesen brachten zo'n 200 nieuwe gevallen aan het licht, een verdubbeling dus van het bruinvissenbestand. Een fantastische aanvulling!

    • Maandoverzicht oktober 2014

      In lijn met de trend van dit jaar zijn ook in oktober minder strandingen gemeld dan het meerjarig gemiddelde, bijna de helft minder zelfs: 24, tegen 42 in 2005-2013. Er zijn 12 meldingen ontvangen uit de Delta (2 uit de Oosterschelde, 2 uit de Westerschelde), slechts 4 van de Hollandse kust, en 8 uit het waddengebied (Texel 4, Schiermonnikoog 2, Friese en Groningse vastelandskust beide 1). Er zijn uitsluitend bruinvissen gemeld, en deze maand geen levende.

      Tussen 22-27 oktober strandden er voor het eerst deze maand dagelijks bruinvissen, met 'zelfs' 4 op de 22e. Tussen 18-23 oktober woei het stevig, en op de 21e stond er (wester)storm langs de hele kust. Pas na 26 oktober kwam de wind weer onder windkracht 6B.

    • Maandoverzicht september 2014

      In de afgelopen maanden, om precies te zijn in april, mei, juli en augustus, bleek het aantal strandingen steeds onder het meerjarig gemiddelde te liggen. In september was dit beeld weer omgedraaid: het meerjarig septembergemiddelde sinds 2005 is 60, en dit jaar waren het er 66. Omdat september nog maar net voorbij is, zal dit getal nog wel wat oplopen. Er zijn uitsluitend bruinvissen gevonden.

      Er zijn 18 meldingen ontvangen uit de Delta (waarvan 2 in de Oosterschelde en 1 in het Grevelingenmeer), 19 van de Hollandse kust, en van de Wadden 29 (Texel net als in augustus 14, Vlieland 1, Terschelling 2, Ameland 7, Schiermonnikoog 1, Rottumeroog 1, Friese kust 2, Groninger kust 1). Er zijn ten minste 7 kalfjes gestrand (11%). Twee bruinvissen zijn levend aangetroffen. Een daarvan was een jong van dit jaar en in dermate slechte conditie dat het is geëuthanaseerd. De ander wordt momenteel nog verzorgd bij SOS Dolfijn in Harderwijk.

      Twee bruinvissen vertonen zeker of misschien (op de foto lastig te beoordelen) een gebroken staart. Dit doet de vraag rijzen of deze dieren zijn aangevaren. Deze verwonding is wel vaker geconstateerd. Een van deze twee is naar de destructie gebracht, de ander, afkomstig uit de Oosterschelde, is bewaard voor onderzoek. Sectie zal misschien klaarheid geven over de doodsoorzaak.

      Grafisch overzicht van walvisstrandingen in september 2014

      Het hoogste aantal meldingen, 9 bruinvissen, viel op 9 september (zie figuur). De wind zat van 6-9 september in de noordwesthoek, maar was in die periode nooit harder dan 3 Beaufort. Vanaf 10 september draaide de wind naar de oosthoek tot en met 20 september, toen de wind weer terugdraaide naar noordwest. Ook toen stelde de windkracht nog niet veel voor, met maximaal 5 Beaufort. De invloed van de westelijke wind is in de figuur duidelijk zichtbaar. En die piek van de 14e? Tsja, weekend in combinatie met mooi weer?

    • Jaaroverzicht 2013 online

      Het heeft 'even' geduurd, maar het jaaroverzicht over 2013 staat eindelijk online (klik hier).

    • Maandoverzicht augustus 2014

      In alle jaren sinds er 'enige aantallen' bruinvissen stranden treedt er een 'zomerpiek' op. Die valt doorgaans in augustus, maar ook wel eens in september. Het gemiddelde aantal strandingen voor augustus is, gerekend vanaf 2005, daarom ook hoog: 79 dieren. Daar zit weliswaar de ongelooflijke uitschieter van 210 exemplaren uit 2011 bij, maar zelfs zonder dat jaar ligt het gemiddelde nog altijd op 63. Dit jaar zitten we ruim onder dat hoge gemiddelde, met 69 strandingen, in lijn met de lagere aantallen van de laatste maanden.

      Uit de Delta zijn deze maand 22 meldingen ontvangen (waarvan 1 in de Wester- en 2 in de Oosterschelde en 2 in het Grevelingenmeer), van de Hollandse kust 28, en van de Wadden 19 (Texel 14!, Vlieland 1, Terschelling 4). Er zijn ten minste 8 kalfjes gestrand (70-90 centimeter, 12%). waarvan 2 levend. Daarnaast is er nog een levende bruinvis gestrand nabij Bergen. Alle drie zijn spoedig na stranden overleden.

      Opvallend is het hoge aantal van 9 bruinvissen op de 18e. Van 16-18 augustus was de wind stormachtig vanuit het westen, wat zeker aan dit hoge aantal heeft bijgedragen. Aan de andere kant zat de wind vanaf het begin van de maand al in de (zuid)westhoek, en was hij ook in de tweede helft eveneens overwegend aanlandig. Hoewel er vrijwel dagelijks strandingen zijn geweest, zijn er op de andere dagen geen noemenswaardige aantallen gemeld.

      De klapper van de maand, in ieder geval qua lengte, was de gewone vinvis die een visser op 20 augustus op ongeveer 5 kilometer voor Katwijk zag ronddobberen. Het kadaver is naar het strand bij Scheveningen gesleept en daar de volgende dag tot 'hapklare brokken' verwerkt. Hoewel er de laatste jaren vaker gewone vinvissen zijn aangeland, was deze locatie goed toegankelijk voor publiek en was iedereen in de gelegenheid om eens een blik werpen op zo'n bijzonder dier.

    • Gewone vinvis bij Katwijk/Scheveningen

      Vandaag, woensdag 20 augustus, trof een visser een dode walvis aan op zo'n zes kilometer uit de kust bij Katwijk. Omdat het kadaver in de vaarroute lag is het door vrijwilligers van de Koninklijke Nederlandse ReddingsMaatschappij naar de kust van Scheveningen gesleept. Op donderdagochtend zullen dierpathologen van de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht onderzoek doen naar de doodsoorzaak en conditie van het dier, waarna het zal worden ontleedt. Het gehele skelet zal worden opgenomen in de collectie van Naturalis. Ook parasieten zullen, indien nog aanwezig, worden verzameld. Afhankelijk van de conditie van het kadaver zal later door de Universiteit Utrecht weefselonderzoek worden gedaan.

      Inmiddels, donderdag 21 augustus, zijn de eerste resultaten van onderzoek bekend: het betreft een mannetje gewone vinvis van 16 meter en 80 centimeter. Het dier is acuut dood gegaan, heeft een klap gehad, heeft blauwe plekken (onderhuidse bloedingen) en gebroken ribben, lijkt niet ziek geweest te zijn. In de maag zat een grote hoeveelheid krill, waarvan een flink monster door Imares Texel is meegenomen voor determinatie. Dit is de 37e gewone vinvis voor ons land.

    • Maandoverzicht juli 2014

      In juli zijn tot nog toe, net als in juni, 45 bruinvissen gemeld en geen andere soorten. Dat is minder dan het meerjarig gemiddelde, dat op 59 ligt. Uitschieters waren juli 2011 met 114, en juli 2012 met 116. Daarnaast waren er in juli 2009 ook meer strandingen (56). Zoals al eerder gemeld is het onduidelijk waar het dit jaar naar toe gaat met de meldingen, maar boven de 800 dode bruinvissen lijken we dit jaar niet te komen.

      In de Delta zijn dit keer 19 bruinvissen gemeld (waarvan 3 in de Oosterschelde), van de Hollandse kust 17 en van de Wadden 8 (Texel 1, Vlieland slechts 3 (vergelijk met de 16 van juni), Schiermonnikoog 3, en de Friese en Groningse kust elk 1). Er waren ten minste 8 kalfjes (18%; Zeeland, Zuid-Holland, Schiermonnikoog en Waddenzee), waarvan 1, of misschien 2, levend zijn gestrand.

      Een bijzondere vondst betrof een tongbeen van een bruinvis bij Hoek van Holland op 19 juli.

    • Maandoverzicht juni 2014

      In juni zijn weer iets meer bruinvissen gestrand – namelijk 45 – dan het meerjarig gemiddelde (42). Dit is geen goed teken, want het meerjarig gemiddelde wordt enorm opgetrokken door het gigantische aantal van 90 strandingen in juni 2013. Exclusief juni 2013 ligt het juni-gemiddelde sinds 2005 op 36. De tijd zal leren of de dip in aantallen van dit voorjaar tijdelijk was en de jaarlijkse stijging onverminderd voortzet, of dat de aantallen dode bruinvissen eindelijk beginnen te stabiliseren.

      In de Delta zijn deze maand 14 exemplaren gevonden, waarvan 2 in de Oosterschelde. De Hollandse kust had met 11 exemplaren iets meer meldingen dan mei. Het waddengebied scoorde nu erg hoog met maar liefst 20 exemplaren, waarvan een ongelooflijke 16 op Vlieland. De enige andere Waddenzee-locaties waarvan bruinvissen zijn ontvangen waren Texel (2) en Terschelling (2). Van de Vlielandse exemplaren valt niet meer te vermelden dan dat de meeste rot waren en, op grond van lengte, alle leeftijdscategorieën vertegenwoordigd leken. Het betrof dus niet bijvoorbeeld specifiek jongensterfte.

      Er zijn deze maand ten minste 7 kalfjes gestrand (16%; Zuid-Holland, Texel, Terschelling), waarvan 2 levende. Daarnaast strandde er nog een levend volwassen vrouwtje (met levend kalf, Texel).

      Bijzonder was de vinvis tussen Wassenaar en Scheveningen op 25 juni. Naast de gewone dolfijn uit maart was dat pas de tweede niet-bruinvis dit jaar.

    • Maandoverzicht mei 2014

      Misschien zijn we weer terug bij een reguliere situatie, want ook in mei 2014 is het aantal gemelde bruinvissen lager dan het meerjarig gemiddelde: er zijn deze maand 30 bruinvissen (en geen andere soorten) gemeld, terwijl het gemiddelde 42 is. Dat hoge gemiddelde komt vooral op het conto van vorig jaar, toen er een ongelooflijk aantal van 121 gestrande bruinvissen is gemeld. Laten we vorig jaar weg, dan komt het meerjarig gemiddelde op 32, met alleen in mei 2012 (38) en 2011 (32) meer meldingen dan in 2014.

      Verreweg de meeste bruinvissen zijn gemeld uit het zuidwesten van het land (18 stuks), terwijl de soort langs de Hollandse kust vrijwel afwezig leek (5 exemplaren; vorig jaar 32). De overige 7 zijn gemeld uit het waddengebied (Texel 1, Vlieland 2, Terschelling 2, Schiermonnikoog 1, Engelsmanplaat 1). Het eerste kalf van dit jaar is gevonden op 18 mei bij Renesse (rot mannetje, geen lengteopgave), het tweede op 29 mei op Terschelling (sekse onbekend, geschat 60 cm). Er zijn deze maand geen levende bruinvissen gestrand.

    • Maandoverzicht april 2014

      Er is wat aan de hand met de bruinvissen, maar nu anders dan we de afgelopen jaren gewend waren. Meldden we steeds dat er wéér meer bruinvissen waren aangespoeld dan in alle jaren ervoor, in april 2014 was het andersom: het gemiddelde over april 2005-2013 is 47 dieren, maar in april dit jaar zijn er slechts 24 gemeld. We moeten terug tot 2008 om een nog lager aantal tegen te komen (13), terwijl het volgende jaar daar voor met minder dan 24 exemplaren 2004 was (21). Wat gebeurt er allemaal? Uit gegevens van het KNMI blijkt dat er dit jaar maar weinig harde aanlandige wind is geweest, maar windkracht en windrichting lijken dit jaar niet erg af te wijken van april uit vorige jaren. De voorspelling van vorige maand dat de melders het de komende maanden rustiger zouden krijgen is overigens wel uitgekomen.

      Bijna de helft van de meldingen kwam uit het zuidwesten van het land (13), slechts 4 van de Hollandse kust en 7 uit het waddengebied (Texel 1, Vlieland 1, Griend 1, Terschelling 3, Lauwersoog 1). Er zijn alleen bruinvissen gemeld, er waren maar weinig verse dieren bij en er is niet één bruinvis levend gestrand.

    • Overzicht maart 2014

      In maart 2014 zijn 80 bruinvissen gemeld. Dat is weer ruim boven het gemiddelde berekend over 2005-2013, dat op 60 ligt. Daarbij moet aangetekend worden dat 2013, met 111 strandingen, het gemiddelde flink omhoog heeft getrokken, want de op een na hoogste waarde uit die periode was 73 strandingen in 2012. Wederom zijn er dus meer meldingen geweest; de stijgende lijn zet door. Uitbijter in de reeks blijft nog altijd 2006, met 100 strandingen in maart. Omdat maart traditiegetrouw de 'beste' voorjaarsmaand is, mogen we verwachten dat de melders het in april weer rustiger krijgen.

      Er zijn maar liefst 50 meldingen ontvangen uit het deltagebied! Van de Hollandse kust zijn dat er slechts 15, en uit het waddengebied eveneens 15 (Texel 5, Vlieland en Ameland elk 4, Schiermonnikoog 1, Harlingen 1). Er zijn drie bruinvissen levend gestrand (Vlieland 1 maart, Noordwijk 11 maart, Maasvlakte 19 maart).

      Het aantal strandingen op Goeree rees traditiegetrouw de pan uit: tussen Vrouwenpolder en Rockanje zijn 37 kadavers gemeld, veel hiervan vers en aan flarden. Ook elders zijn flink beschadigde bruinvissen gemeld, bijvoorbeeld van Westkapelle, uit de Kop van Noord-Holland (maar veel minder dan in andere jaren) en van Texel. Er wordt nog altijd gewerkt aan het oplossen van dit raadsel, maar meer en meer pijlen wijzen in de richting van grijze-zeehondenpredatie. Daarnaast stranden er ook af en toe losse achterlichamen, vaak redelijk vers. Of dergelijke kadavers ook toe te schrijven zijn aan grijze zeehond lijkt echter niet waarschijnlijk.

      Behalve bruinvissen was er deze maand één andere soort, namelijk de gewone dolfijn op 15 maart bij Ouddorp. Het was al de 86e gewone dolfijn voor ons land, maar in deze eeuw pas de derde.

    • Overzicht februari 2014

      In februari zijn 44 bruinvissen gestrand, een opmaat naar maart. Gemiddeld sinds 2005 strandden er 39 bruinvissen. Gezien de overwegend en vaak harde zuiden- en zuidwesten wind lijkt het aantal strandingen in februari dus mee te vallen. Er zijn deze maand geen andere soorten gemeld. Ernstig beschadigde bruinvissen werden vooral gemeld uit de bekende regio rond Ouddorp, maar ook verder noordelijk, tot IJmuiden aan toe.

      Uit het deltagebied zijn 12 meldingen ontvangen, van de Hollandse kust 20 en uit het waddengebied eveneens 12 (Texel 2, Terschelling 3, Ameland 6, Delfzijl 1). Er zijn twee bruinvissen levend gevonden (20 februari Vlissingen, 25 februari Terschelling).

    • Overzicht januari 2014

      Ook januari gaf weer een hoger aantal meldingen van dode walvissen dan gebruikelijk: er zijn er 52 gemeld, terwijl het gemiddelde op 32 ligt. Alleen in 2012 waren het er meer, namelijk 61, terwijl januari 2013 er slechts iets onder zat met 47 strandingen.

      In de Delta was het (nog) rustig, met 12 meldingen, langs de Hollandse kust zijn 27 dieren gevonden en in het waddengebied 13 (Texel 8, Vlieland 1, Terschelling 1, Ameland 3). Ernstig beschadigde verse bruinvissen werden gemeld van met name de Zuid-Hollandse kust, vooral bij de Zandmotor, maar ook een van Texel.

      Er zijn geen levende bruinvissen gestrand. Er was één melding van een witsnuitdolfijn (Petten 15 januari), maar dat betrof een niet-verse losse onderkaak.