Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Nieuws 2011

    • Jaaroverzicht walvisstrandingen 2011

      Wat aantal soorten betreft was ook 2011 weer bijzonder: er zijn zeven soorten gemeld. Op 16 april werd een wervel gevonden van een potvis op Rottumeroog. Dit is natuurlijk geen stranding van een complete potvis, maar omdat het dier in de buurt is doodgegaan is het bot een getuige van het voorkomen van de soort in onze omgeving. Uiteraard ligt de Noordzee vol met walvisbotten en zal zoiets nog wel vaker voorkomen. Op 13 november liep er een levende potvis aan de grond op de Hinderplaten, voor de kust bij Voorne. Deze is vlotgetrokken door allerlei goedbedoelende lieden en het dier is weggezwommen. Twee dagen later strandde er een potvis te Pellworm in Duitsland. Hoewel de pers beweerde dat dit hetzelfde dier was als 'de onze' is dit geenszins zeker. Op de foto's die van de Voornse potvis zijn gemaakt is niet veel meer te zien dan een stukje rug. Om zeker te zijn dat beide dieren een en dezelfde waren, moeten toch littekens en andere karakteristieken van ten minste rug- en staartvin bestudeerd worden. Het is niet de eerste keer dat er een groep(je) potvissen in de zuidelijke Noordzee terechtkomt waarvan de dieren verspreid over een groter gebied stranden en dat kan ook hier niet worden uitgesloten ..... net zo min als het tegendeel overigens. De hier vermelde potvissen waren nummers 63 en 64 voor ons land en de vijfde/zesde sinds 2000. Je zou kunnen denken dat de soort dus regelmatig voorkomt, maar het blijft een bijzonder zeldzaam dier; vier van deze zes strandden in 2004.

      Eveneens bijzonder was de gewone vinvis die op 30 augustus te Vlissingen werd gevonden. Dit was al onze 30e, maar een bewijs van voorkomen in ons land was het eigenlijk niet, want het dier was aangevoerd op de boeg van een schip dat via de golf van Biskaje naar Nederland was gevaren. Omdat bij het ontleden van het kadaver was vast komen te staan dat de vinvis bij aanvaren nog in leven was, is het waarschijnlijk dat hij ten zuiden van het Kanaal door het schip is 'opgepikt'. Een soort die wel in de Nederlandse Noordzee thuishoort is de dwergvinvis, waarvan nummer 31 voor ons land rot aanspoelde te Breskens op 3 april. Een met het potvisbot vergelijkbaar geval deed zich voor met een gewone spitssnuitdolfijn, waarvan een gelukkige strandwandelaar een wervel opraapte op 10 augustus te Ameland (nummer 19 voor Nederland). Een levende gewone dolfijn strandde op 17 april te Oostvoorne (de 76e, maar pas de derde sinds 2000). Het dier was niet in goede conditie en overleed de nacht erop. Tot slot strandden er in 2011 maar liefst vierwitsnuitdolfijnen (nummers 212-215 voor Nederland): op 14 april op Terschelling (maar determinatie van dit dier is nog niet zeker), op 12 juni te Ameland (levend gestrand, teruggeduwd, opnieuw gestrand, opgevangen door SOS Dolfijn en overleden op 12 december 2011), op 12 juni te Bloemendaal en op 4 december bij Den Helder (levend gestrand, overleden op 5 december 2011). Ook was er een bijzondere vondst van een 'witfluitdolfijn', een ingedroogde penis met twee bekkenbeentjes van een witflank- of witsnuitdolfijn, op 27 april te Ameland. Alice van Duijn heeft er nogal wat werk aan gehad om erachter te komen waar het 'vreemde apparaat' van afkomstig was en heeft er een fraai verhaal over geschreven, dat te lezen is op natuurinformatie.nl. Naast al dit bijzonders was ook de bruinvis weer alom vertegenwoordigd. Zeven soorten walvissen in één jaar is bijzonder veel: in 2008 waren dit er vier, in 2009 zes en in 2010 acht. Gerekend vanaf 1950 strandden er gemiddeld slechts vier soorten per jaar. 2010 was dus extreem 'goed' en de enige andere jaren met zeven soorten waren 1935 en 2006. Zoals boven vermeld zijn ook dit jaar weer twee levende walvissen teruggeduwd in zee: de potvis bij Stellendam en de witsnuitdolfijn bij Ameland. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat dit geen goede zaak is. Een walvis strandt alleen als er iets niet in orde is. Het dier terugduwen heeft niet alleen geen zin, je doet hem er geen plezier mee. Het verdient aanbeveling om bij een stranding van een levende walvis er subiet een gespecialiseerde dierenarts bij te halen om de situatie te beoordelen, ook al kan dat even tijd kosten en is het ongewtijfeld geen prettig gezicht om in de tussentijd naar de spartelende walvis op het droge te kijken. Kijk voor eerste hulp bij een gestrande walvis op hier. Belangrijk is vooral om het dier rust te bieden en stress te voorkomen.

      Hoewel 2011 door de zoogdiervereniging was uitgeroepen tot jaar van de vleermuizen, zal het voor velen toch vooral het jaar van de dode bruinvissen geweest zijn. Half februari 2012 staat de teller op 849 stuks. Mogelijk zit er een enkele dubbeltelling tussen, maar omdat nog altijd niet alles binnen is, zal het uiteindelijke aantal toch nabij de 850 uitkomen. Dat is ongelooflijk veel, gezien de getallen van de afgelopen jaren (545 in het extreme jaar 2006 en in de jaren 2007-2010 achtereenvolgens 336, 345, 510 en 437). De maanden januari-juni verliepen min of meer normaal (tabel 1), maar in juni ging het los, ook al waren het in die maand nog wel iets minder dan in juni 2006 (toen 48).

       

         2011  2005-2010
       januari  24  26
       februari  38  33
       maart  43  51
       april  43  37
       mei  32  30
       juni  43  32
       juli  113  37
       augustus  206  56
       september  128  32
       oktober  102  29
       november  23  26
       december  54  24

      Tabel 1. Aantal gestrande bruinvissen per maand en het maandgemiddelde over de jaren 2005-2010.

      Het aantalsverloop is nog eens weergegeven in figuur 1: normaal gesproken zijn er twee pieken in het jaar te zien, namelijk in maart en augustus, waarbij elk zo'n 12-14% van het jaartotaal bedraagt (zie bijvoorbeeld de grafiek in het jaaroverzicht 2010). In 2011 viel de voorjaarspiek echter volledig in het niet bij de zomerpiek, die bovendien duurde van juni tot oktober. Pas in november waren de aantallen weer 'normaal', maar in december werden we opnieuw geconfronteerd met een piek: er strandden wederom twee keer meer bruinvissen dan gemiddeld.

      Figuur 1. Strandingspatroon van bruinvissen per maand in 2011 (in procenten).

      Het leek er op alsof de aanspoelgolf vanuit het zuidwesten kwam en zich langs de kust naar het noorden toe verplaatste. Dit is met enige verbeelding ook wel te zien in figuur 2, want het lijkt erop alsof de strandingspiek langs de Hollandse kust (middelste grafiek) iets naar rechts verschoven is ten opzichte van de Delta (bovenste). Inderdaad begon de strandingsgolf in de Delta eind juni, terwijl hij toen nog niet langs de Hollandse kust was gearriveerd. Uit gesommeerde percentages wordt het nog iets duidelijker, want langs de Hollandse kust strandde 23% van het totaal in september, terwijl het aantal in de Delta toen alweer was afgenomen: in september strandde daar 19%. Vanwege deze noordwaarts gerichte 'golf' is wel gesuggereerd dat de bruinvissen van buiten Nederlandse wateren afkomstig waren. Bovendien waren veel kadavers rot, wat betekent dat ze verder uit de kust zijn doodgegaan. Recent is het voedselonderzoek afgerond aan deze zomerstrandingsdieren. Hopelijk kan dat, in combinatie met de resultaten van de in Utrecht uitgevoerde secties, meer duidelijkheid verschaffen over deze bijzondere gebeurtenis.

      Figuur 2. Percentage aangespoelde bruinvissen voor de Delta (bovenste grafiek), Hollandse kust (midden) en Wadden (onder) per decade.

      Al eerder is bij bespreking van strandingsresultaten een relatie gelegd met aanlandige wind. We kunnen ons nog wel herinneren dat de zomer van 2011 koel en winderig was, met overwegend zuidwestelijke wind. Dit is misschien ook de verklaring voor het wat afwijkende strandingspatroon op de Wadden, want bij een zuidwestelijke wind is de stroming daar aflandig. Synchroon met de windkracht namen eind september ook de aantallen bruinvissen op 't strand af, maar begin oktober blies de wind weer fors uit het westen  ..... en was er opnieuw een piek. Ook deze werd in het Waddengebied opgemerkt. Als we inzoomen op dit minipiekje lijkt het overigens vooral veroorzaakt te zijn door de stevige bries uit zuidwest tot noordwest van 6-8 september, want in die drie dagen spoelden 27 bruinvissen aan (waarvan 10 op de Hollandse kust). Over het hele jaar beschouwd zijn er evenveel bruinvissen gemeld van de Hollandse kust en de Wadden (312 en 314, elk 37%) en iets minder uit het Deltagebied (26%). Omgerekend naar dichtheden zijn er echter met name in Noord- en Zuid-Holland veel aangespoeld (tabel 2), terwijl er ten opzichte van het gemiddelde uit vorige jaren ook relatief meer in de Delta zijn aangespoeld dan in het noorden van het land.

      Tabel 2. Dichtheid van bruinvissen op de Noordzeekust van de drie deelgebieden, uitgedrukt als aantal per kilometer, zowel voor 2011 als voor de jaren ervoor tezamen.

       

       

       2011

       2005-2010

       Delta

       1,7

       0,5

       Holland

       2,6

       1,0

       Wadden

       1,9

       1,1

       

      Zoals gebruikelijk was er een licht mannenoverschot (58%, figuur 3, n = 442), dat van zuid naar noord afnam: het hoogst in de Delta (61%), het laagst op de Wadden (47%). Het is wat lager dan het gemiddelde over 2005-2010 (60%, n=1573). Ook dit jaar waren mannen gemiddeld kleiner dan de vrouwen (111 versus 123 cm, n=566). De jongensterfte (gemeten als aandeel exemplaren kleiner dan 100 cm) bedroeg dit jaar 18% (n=566). In de jaren sinds 2006 schommelde dit steeds tussen 18-22% (n=1539). In 2005 was het maar 12%, maar in dat jaar was de steekproef veel kleiner (228 exemplaren).

      Figuur 3. Percentage mannetjes per jaar.

      Ook dit jaar was er weer een bijzonder groot aantal mensen dat de moeite nam hun waarnemingen aan ons door te geven. Daarnaast zorgden diverse lieden ervoor dat de bruinvissen bewaard bleven voor onderzoek en dat er foto's toegevoegd konden worden aan de landelijke database, zodat ook later nog de toestand van de kadavers beoordeeld kan worden. Alle mensen die op welke wijze dan ook hebben bijgedragen wederom hartelijk bedankt, want zonder jullie is een dergelijke landelijke registratie niet mogelijk!

    • Maandoverzicht december 2011

      Was het aantal van november weer gezakt ten opzichte van voorgaande periode, in december was het opnieuw hoger dan ooit in deze maand: tot nog toe zijn er maar liefst 55 strandingen gemeld, maar het noorden van het land is nog onvolledig. Tot heden waren 2009 met 41 en 2008 met 37 de toppers, maar dat is nu dus ruimschoots overschreden. Het gemiddelde over de decembermaanden in 2005-2010 ligt op 25, met als uitschieters naar beneden 2007 met slechts 6 en 2010 met 14.

      De vondsten waren als volgt over de kust verdeeld: Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden 12, vastelandskust van Zuid- en Noord-Holland 11 en de Waddenzee maar liefst 32. Uit het Waddengebied zijn er 6 van Texel, 1 van Vlieland, 9 van Terschelling, 10 van Ameland, 5 van Schiermonnikoog en 1 van de vastelandskust van Friesland. Het aantal meldingen van Texel lijkt niet al te zeer af te wijken van het gebruikelijke beeld, maar die van de eilanden ten oosten daarvan zijn uitzonderlijk. In hoeverre dat samenhangt met telinspanning is onduidelijk, maar een systematische telling van dode vogels over slechts enkele kilometers strand door Jacob de Vries op Terschelling leverde maar liefst vijf bruinviskadavers op, hetgeen doet vermoeden dat grondig afschuimen van de vloed- en stormlijn meer kan opleveren.

      Er zijn deze maand twee bruinvissen levend gestrand (Texel en Vlieland). Daarnaast strandde er een levende witsnuitdolfijn, op 4 december bij Den Helder. Deze was flink verzwakt en is op 5 december overleden.

    • Opmerkelijkste natuurvondst van 2011: penis van dolfijn!

      Een dode bruinvis op het strand vinden, dat is al lang niet zo bijzonder meer. Een dolfijn vinden, ja, dat is bijzonder. Het kan echter nog gekker: een penis van een dolfijn vinden! Dat overkwam een inwoner van Terschelling in april 2011. Het Natuurinformatiecentrum (NIC) van Naturalis krijgt voortdurend vragen binnen van mensen die iets bijzonders in de natuur hebben gezien of gevonden. Alice van Duijn van het NIC heeft haar hersens gepijnigd over de merkwaardige Terschellingse vondst (zie de foto onder), maar ze heeft het raadsel gekraakt. Lees er meer over op Natuurinformatie.nl

    • Maandoverzicht november 2011

      Ongekend, een aantal strandingen onder de 50, dat hadden we al sinds juni niet meer meegemaakt. Er zijn in november 22 strandingen gemeld, zelfs iets minder dan gemiddeld (van 2005-2010 was dat 26 exemplaren). Bijzonder was een aan de grond gelopen nog levende potvis van zo'n veertien meter op de Hinderplaten, voor de kust bij Voorne op 3 november. Het dier was, zoals vrijwel altijd bij potvissen voor onze kust, sterk verzwakt. Desondanks hebben goed bedoelende lieden hem weer losgesjord met het opkomende tij en naar zee gedirigeerd. Of deze potvis dezelfde is die is gestrand op Pellworm in Duitsland op 15 november, zoals wel wordt beweerd in de media, is zeker niet bewezen. Van het dier bij Stellendam zijn alleen foto's gemaakt terwijl hij in het water lag (en dat kon ook niet anders). Je ziet dus vrijwel uitsluitend een stukje rug. Details, zoals parasieten, littekens, de rugvin of de staartrand, zijn niet te zien en een goede vergelijking is daarom niet mogelijk. Potvissen zijn kuddedieren. Het is net zo goed mogelijk dat er begin november in de zuidelijke Noordzee meerdere potvissen verdwaald zijn, die elkaar vervolgens zijn kwijtgeraakt en (deels?) over een groter gebied zijn gestrand, ofwel de noordelijke of zuidelijke uitweg hebben gevonden.

      De overige 21 meldingen betroffen bruinvissen. Hiervan zijn er 6 gemeld van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden, 5 tussen Hoek van Holland - IJmuiden, 5 tussen IJmuiden - Den Helder, slechts 1 op Texel en (tot nog toe) 5 in de de overige Waddenzee, waarvan 1 bij Den Oever. Er zijn in november geen levende bruinvissen gevonden.

    • Maandoverzicht oktober 2011

      Te vroeg gejuicht! In tegenstelling tot wat vorige maand werd gemeld nam de massastranding helemaal niet af, want ook in oktober zijn er veel meer bruinvissen dan normaal gestrand. Het totaal tot op heden is 94, tegen 30 gemiddeld over 2005-2010. Er werden dagelijks meldingen gedaan tot en met de 23e en meestal meer dan 1 per dag. Overigens zijn meldingen van de Waddenzee nog incompleet, dus mogelijk komen we voor oktober opnieuw over de honderd! Op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden zijn dit keer 25 bruinvissen gemeld, Hoek van Holland tot IJmuiden 21, IJmuiden tot Den Helder 17 (waarvan 1 levend), Texel 17 en de overige Waddenzee tezamen (tot nog toe) 14, waarvan 2 bij Kornwerderzand. Er zijn geen andere walvisachtigen gemeld. Topdag was de zevende, met veertien meldingen; daarnaast waren er nog vier dagen met vijf meldingen of meer. Van 82% is dit keer een lengteopgave gedaan; hieruit bleek dat net als in voorgaande maanden bijna de helft subadult was (101-120 cm). De sekseverdeling was identiek aan die in september (56% man; van 55 exemplaren een sekseopgave).

    • Maandoverzicht september 2011

      Zoals te verwachten was - en ook wel gehoopt werd - lag het aantal bruinvisstrandingen in september aanzienlijk lager dan in augustus: de massastranding kwam tot een eind. In totaal zijn tot op heden 112 bruinvissen gemeld, maar meldingen uit het noorden van het land zijn nog incompleet. Het septembergemiddelde over 2005-2010 ligt op 33, dus net als in augustus was ook in september 2011 het aantal meldingen bijna vier keer hoger. Van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden zijn dit keer 33 bruinvissen gemeld, Hoek van Holland tot IJmuiden 20, IJmuiden tot Den Helder 32, Texel 20 en de overige Waddenzee tezamen (tot nog toe) 7, waarvan 1 van de Friese vastelandskust. Andere walvisachtigen zijn niet gemeld.

      Figuur 1. Relatie tussen het aantal gestrande bruinvissen per dag in september 2011 (blauwe staven, linker y-as) en de gemiddelde windsnelheid (meter per seconde, rode lijn, rechter y-as). Bron voor windsnelheid: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut KNMI.

      De maand begon rustig, met vrijwel dagelijkse maar slechts enkele meldingen tot en met de zesde, waarna het losbarstte op 7 september met 13 bruinvissen en 8 september met een ongelooflijke 23 meldingen! (Ter vergelijking: topdagen in voorgaande maanden waren 14 exemplaren op 14 juli en 20 exemplaren op 29 augustus.) Daarna zijn er niet meer dan 8 per dag gemeld, maar het duurde tot na 22 september voordat de meldingen werkelijk terugliepen. Opnieuw was er een duidelijke relatie met de windkracht (figuur 1): nadat vanaf 5 september de wind tot kracht 6B en meer was toegenomen, strandden er direct meer bruinvissen. Latere pieken in windkracht leverden veel minder strandingen op. Het is, zoals al eerder opgemerkt, natuurlijk duidelijk dat de windsnelheid geen verklaring is voor de sterfte, maar het zorgt ervoor zorgt dat reeds dode dieren ook werkelijk aan land worden gebracht.

      Op grond van lengteopgaven van de vinders lijkt het erop dat de septembergolf inderdaad een voortzetting was van die eerder in de zomer, met wederom een overmaat aan onvolwassen dieren van 101-120 cm lang (bijna 50%; van 61% is een lengteopgave gedaan). Het aantal neonaten verschilde niet van dat in augustus (11 versus 10%), maar de sekseverhouding was minder scheef (66% man in augustus, 56% man in september).

      Figuur 2. Aandeel bruinvissen van de Zuid-Hollandse/Zeeuwse eilanden (rechts, blauw) en de vastelandskust van Zuid-Holland (linksonder, rood) en Noord-Holland (linksboven, groen) in september 2011 (taart links) vergeleken met september 2005-2010 (taart rechts).

      De bruinvissen leken de Delta nu voorbijgedreven: is het eilandenrijk normaal gesproken goed voor 58% van de strandingen in september (gemiddeld over 2005-2010), nu kwam slechts 40% daarvandaan (figuur 2). De Zuid-Hollandse kust was procentueel niet anders dan anders (23 versus 23%) en dus is duidelijk dat dit keer de Noord-Hollandse kust zwaar getroffen was (37% versus 18%). Deze trend was ook op Texel goed te merken (niet in de figuur opgenomen): normaal strandt daar in september 11% van het landelijke totaal, dit jaar was het 18. Hoeveel bruinvissen zijn Nederland voorbijgedreven?

    • Bruinvisvindersdag

      Op zaterdag 17 september waren zo'n vijftig bruinvisvinders en andere walvisliefhebbers bijeen om elkaar beter te leren kennen en om van gedachten te wisselen over van alles dat met levende en dode bruinvissen te maken heeft. Plaats van de bijeenkomst was de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Dode bruinvissen worden door wandelaars vaak gemeld bij strandtenthouders, strandwacht of politie, die dan de mensen van het bruinvisnetwerk inschakelen of zelf de melding doen via het meldformulier van de walviswebsite. Vervolgens worden de dode dieren van het strand gehaald door strandvonders, andere gemeentemedewerkers of, als de dieren nog leven, dierenambulances en/of SOS Dolfijn. Veel van deze mensen kennen elkaar wel van naam dankzij e-mail of telefoon, maar niet van gezicht. Alleen al wat dat punt betreft was deze dag zeer geslaagd, want vele namen hebben nu ook gezichten gekregen.

      Mardik Leopold vertelt over dieetstudies van bruinvissen, in het bijzonder in Nederland. Foto: Pieter Smit (dierenambulance Den Haag)

      Daarnaast waren er diverse voordrachten, waar zo ongeveer alle partijen die in het bruinvisnetwerk verenigd zijn zich konden presenteren. Onderwerpen die aan bod zijn gekomen waren de beschermingsstatus van bruinvissen in Nederland en aanleiding en achtergrond van het huidige bruinvisonderzoek (Folchert van Dijken, ministerie van EL&I), de historie van strandingsregistratie in Nederland en de walviswebsite (Guido Keijl, Naturalis), het EHBZ-netwerk (Nynke Osinga, Zeehondencrèche Leni 't Hart), opvang van levende bruinvissen (Jolanda Meerbeek, SOS Dolfijn), opvang van zeehonden en zeevogels op Texel bij Ecomare (Arthur Oosterbaan en Salko de Wolf, Ecomare), postmortaal onderzoek aan bruinvissen (Lineke Begeman, Universiteit Utrecht) en voedsel van bruinvissen in Nederland (Mardik Leopold, Wageningen-Imares Texel). De succesvolle en gezellige gebeurtenis was georganiseerd door Sjoukje Hiemstra en Andrea Gröne van de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht. Hopelijk is er gelegenheid in de toekomst vaker zo'n bijeenkomst te organiseren en komen er nog meer mensen op af.

    • Maandoverzicht augustus 2011

      Het grote aantal strandingen in juli van dit jaar bleek achteraf slechts een opmaat voor augustus, waarin we meer strandingen hebben meegemaakt dan ooit (althans, sinds de bruinvissen worden geteld). Het voorlopige totaal is uitgekomen op 184, waarbij moet worden opgemerkt dat de strandingen uit het noorden van het land deels nog niet zijn ontvangen. Normaal gesproken is augustus de maand met de meeste strandingen en het het gemiddelde over de periode 2005-2010 bedroeg iets meer dan 56. Augustus 2011 gaf dus bijna vier keer zoveel strandingen te zien! Feitelijk kwamen alle strandingen op het conto van de bruinvis, want er is slechts één andere walvisachtige aangespoeld: de gewone vinvis van 30 augustus te Rotterdam (zie bericht hieronder). Hoewel voor juli is aangetoond dat er bij aanlandige wind meer bruinvissen stranden dan bij wind uit andere hoek (zie het maandoverzicht van juli, onder), is windrichting alleen natuurlijk geen verklaring voor sterfte. Voor augustus is de relatie met wind vooralsnog niet nageplozen, maar ook afgezien van de heersende windrichting is wel duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand is (geweest). De Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden inclusief de Maasvlakte waren dit keer goed voor 66 bruinvissen, Zuid-Holland tot en met IJmuiden 50, Noord-Holland (exclusief Texel) 33 en het gehele Waddengebied eveneens 35 (waarvan 20 op Texel, 3 op Vlieland, 3 op Terschelling, 6 op Ameland, 2 op Rottumeroog en 1 bij Kornwerderzand). Dagen met erg veel bruinvissen waren 9 en 17 augustus, beide met 13, maar 29 augustus spande de kroon met 20 exemplaren. Op die 29e spoelden op een stuk strand van slechts twintig kilometer, tussen Wassenaar en Noordwijk, maar liefst 8 bruinvissen aan.

      Aantal gestrande bruinvissen in augustus 2011 per lengteklasse.

      Van 127 bruinvissen is een lengte opgegeven (71%, gemeten/geschat). Exemplaren onder 90 centimeter kunnen als jong van dit jaar worden beschouwd. Het aandeel jongen van dit jaar dat in augustus is gevonden betrof ongeveer 10% (13 exemplaren), aanzienlijk minder dan de 41% in juli. Dit is ook wat je verwacht: de meeste sterfte vlak na de geboorte, dus in juni-juli. De jongen van dit jaar die in augustus zijn doodgegaan verklaren dus niet de opmerkelijke sterftegolf. Ongeveer de helft van de slachtoffers was 101-120 centimeter lang (zie figuur).

      Aandeel bruinvissen van de Zuid-Hollandse/Zeeuwse eilanden (rechts, blauw) en de vastelandskust van Zuid-Holland (linksonder, rood) en Noord-Holland (linksboven, groen) in augustus 2011 vergeleken met augustus 2005-2010.

      Aanvankelijk bestond de indruk dat met name het Deltagebied werd gebombardeerd door dode bruinvissen. Toch verschilt het percentage daar aangespoelde dieren niet wezenlijk van de augustustotalen gesommeerd over de jaren 2005-2010 (37% versus 32%). Laten we het Waddengebied weg, dan lijkt het aandeel in Zuidwest-Nederland aangespoelde bruinvissen in augustus 2011 zelfs nog meer op het gesommeerde aandeel over die jaren (45% versus 47%). Het verschil zit 'm meer in het aandeel in Zuid- en Noord-Holland aangespoelde exemplaren: over 2005-2010 leken die twee provincies sterk op elkaar (28% versus 25%), maar in 2011 was het verschil veel groter (33% in Zuid-Holland, 22% in Noord-Holland). Dat, samen met de overwegend zuidwestelijke stroming in augustus, doet dan ook sterk vermoeden dat de dodebruinvisgolf, die aanvankelijk inderdaad het zuidwesten van het land teisterde, uit zuidwestelijke richting (Kanaal) afkomstig is. Enkele tientallen bruinvissen die tot nog toe in Utrecht zijn onderzocht, hadden uitgebreide onderhuidse kneuzingen. De oorzaak daarvan is vooralsnog onduidelijk. Er is geen verschil in de sekseverdeling tussen de jaren (steeds iets meer mannetjes - ongeveer 65%), dus van de populatie zijn beide seksen even zwaar getroffen.

    • Gewone vinvis voor de boeg

      Je bent kapitein op een groot zeeschip en vaart na een lange trip de haven binnen. Net als je denkt dat je dienst erop zit, blijkt er een dode walvis op je boeg te liggen. Onderweg geschept en honderden kilometers meegesleept. Zo'n macabere ontdekking werd op dinsdag 30 augustus 2011 gedaan bij een containerschip dat de Amazonehaven van Rotterdam binnenliep. Na enige onduidelijkheid over de determinatie bleek het om een gewone vinvis Balaenoptera physalus te gaan, een zeldzame soort voor Nederland.

      Tijdens sectie van het kadaver, verricht door onderzoekers van Naturalis en het Dutch Wildlife Centre van de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, trof men op het midden van het lijf, dichtbij een duidelijk zichtbare knik in het lichaam, een grote onderhuidse bloeduitstorting aan. Dit is een duidelijk teken dat de vinvis onderweg levend is aangevaren door de boegbult van het schip. Waar dit gebeurde is niet precies bekend. Gezien de staat van ontbinding zou dit zo'n vier dagen voor het binnenvaren van het schip in Rotterdam kunnen zijn geweest. Gaan we de route na die het containerschip heeft afgelegd, dan is het dus niet onwaarschijnlijk dat de vinvis aan de oppervlakte is geschept ter hoogte van Portugal of in de Golf van Biskaje bij Noord-Spanje, een plek waar diverse soorten Atlantische walvissen in grote aantallen voorkomen. Voor een nietsvermoedende walvis is een botsing niet altijd even gemakkelijk te vermijden: containerschepen kunnen met een snelheid van 45 kilometer per uur over het water razen.

      Naturalis heeft de kop, de onderkaak, de baleinen en een linker flipper meegenomen om toe te voegen aan de wetenschappelijke collectie. Onderzoekers van de Faculteit Diergeneeskunde hebben monsters genomen van de longen, het hart, de huid, het vet, een testikel, een stuk van de huid van de penis, de blaas, spieren, en het laatste deel van darm. Het grootste deel van het maagdarmstelsel inclusief de lever was afwezig, vermoedelijk weggespoeld door een gat in de buikwand.

      Het betreft een dertien meter lang mannetje, een formaat dat duidt op een leeftijd van rond de twee jaar. Erg jong dus, wat ook nog eens is af te lezen aan de toestand van de botten: die bestaan vrijwel geheel uit zacht kraakbeen. Volwassen gewone vinvissen kunnen wel 27 meter lang worden en leven normaal gesproken in diep water. Ze stranden dan ook slechts zelden op de Nederlandse kust. In totaal zijn er nu 29 op onze kust gevonden, waarvan vier sinds 2000. Deze vinvis is niet gestrand, maar onvrijwillig hiernaartoe gelift. Dat is geen uitzondering: aanvaringen van grote, snelvarende zeeschepen met walvissen komen vaker voor en het is verschillende keren gebeurd dat een walvis na een voltreffer op volle zee 'gevangen' werd door de boegbult en vervolgens een haven in werd gevaren. Pas twee jaar geleden, in september 2009, is een gewone vinvis van bijna twintig meter de Antwerpse haven ingeloodst op de boeg van een containerschip.

      Hansjorg Ahrens (Naturalis) & Lineke Begeman (Dutch Wildlife Centre)

      Opmeten van het lichaam door de snijploeg van Naturalis.

      Kop en onderkaak in de takels.

      Vorm en kleur van de baleinen duiden op een gewone vinvis.

      De schoongesneden rechter onderkaak wordt door de snijploeg in de container getild voor vervoer naar Leiden.

      Aankomst bij Naturalis in Leiden.

      Weer in de takels.

      De schedel, van boven gezien.

      Veilig op de grond.

      Nieuwsgierig naar zijn nieuwe thuis.

    • Nieuwe soort voor Nederland: Frasers dolfijn

      Op 5 augustus 2011 spoelde er een nieuwe dolfijnsoort aan voor Nederland: een Frasers dolfijn. De precieze plek: Lac Bay, Sorobon, zuidoostpunt van Bonaire! (zie http://bes.observado.org/waarneming/view/56164250 voor de exacte locatie). Omdat Bonaire, samen met Saba en Sint Eustatius, sinds 2010 een bijzondere gemeente van Nederland is, maakt de fauna van dat eiland dus onderdeel uit van Nederland (zie ook Hoetjes 2010 voor meer informatie over de fauna van onze overzeese gebieden, hoewel de walvissen er in dit hoofdstuk wel heel bekaaid af komen). Zonder meer een van de spectaculairste vondsten van de afgelopen tijd.

      Frasers dolfijn Lagenodelphis hosei is een bijzondere dolfijn. Hij is pas in 1956 als nieuwe soort voor de wetenschap beschreven door F.C. Fraser aan de hand van een skelet dat door Charles Hose verzameld was. De dolfijn, afkomstig van de kust van Serawak, was rot en aangevreten toen Hose hem vond. Omdat het nabij de monding van de Lutongrivier was gevonden, en de kleuren niet meer herkenbaar waren, ging men ervan uit dat het om de lokale Indo-Pacific humpback dolphin Sousa chinensis ging. Ondanks dat was het skelet opgeborgen met het label White Porpoise?Lagenorhynchus sp., wat aangeeft dat Hose niet zeker was van de determinatie. Het duurde dus tot 1956 tot Fraser erachter kwam dat het werkelijk een nieuwe soort betrof. Hij beschreef hem in een nieuw geslacht, Lagenodelphis, een samenvoegsel van Lagenorhynchus en Delphinus, omdat hij meende dat de soort hiermee verwant was en misschien ook wel een beetje omdat hij niet zeker wist of de nieuwe soort geen hybride was. De soortnaam hosei verwijst natuurlijk naar de vinder van het dier. De verschillen zijn vooral in de bouw van de schedel te vinden. Overigens is Frasers dolfijn, op grond van juist die schedelkenmerken, misschien wel nauwer verwant aan Stenella-soorten dan aan de vernoemde genera.

       

       

      Na de beschrijving duurde het maar liefst tot 1971 tot Frasers dolfijn in het wild werd gezien, maar toen wel gelijk op drie wijd uiteenliggende locaties: Cocos eiland (Stille Oceaan, ter hoogte van Panama), Zuid-Afrika en Australië. Dit was spectaculair omdat nu voor het eerst de uiterlijke kenmerken vastgesteld konden worden van een grote zoogdiersoort die tot dan toe onopgemerkt over blijkbaar de hele wereld had kunnen rondzwemmen. Inmiddels weten we dat deze dolfijn inderdaad een zogenaamde pan-tropische verspreiding heeft: hij komt in de tropen voor in alle oceanen en is bovendien niet heel zeldzaam. Dat er zo weinig over bekend was (en is) komt omdat hij pelagisch leeft en dus maar zelden strandt. Voedselresten in magen van gestrande dieren suggereren dat hij op de rand van het continentaal plat op vis jaagt.

      In Europa is Frasers dolfijn heel zeldzaam. De eerste Europese stranding van maar liefst elf individuen vond plaats op 29 mei 1984 in Frankrijk; later is de soort opnieuw gestrand in Frankrijk en Ierland. Massastrandingen zoals in Frankrijk komen echter mondiaal gezien maar heel weinig voor. Aan de Atlantische kant van Centraal-Amerika zijn Frasers dolfijnen bekend van zichtwaarnemingen en strandingen in onder andere de Kleine Antillen en Venezuela. Een stranding op Bonaire was dus niet geheel onverwacht. Toch is ook in het Caribisch gebied de soort niet algemeen, want tijdens observaties op zee worden vooral veel andere dolfijnsoorten waargenomen. Nog altijd zijn er wereldwijd in totaal niet meer dan enkele tientallen skeletten in musea beschikbaar voor onderzoek, waarmee deze soort een van de slechtst bekende dolfijnsoorten blijft.

      De totale lengte van een dolfijn of walvis wordt niet gemeten zoals de mensen op de foto het doen: het moet in een rechte lijn gebeuren van snuitpunt tot inkeping in de staartvin (in het midden). Het is bij een dier op het strand het handigst om twee hulplijnen te trekken, een vanaf de snuitpunt, de andere vanaf de inkeping in de staart, en dan de afstand tussen deze lijnen te meten.

      De Frasers dolfijn van Bonaire, een vrouwtje, is te determineren aan de hand van lengte (gemeten 256 cm, maar dat is waarschijnlijk iets overschat, omdat de bolling van de rug is meegenomen), grijze rug en rozige onderzijde, met daartussen een zwarte lengtestreep van snuit tot staart met een lichte streep erboven (dit laatste is op de foto's moeilijk te zien, misschien omdat het dier al wat verkleurd is). Andere kenmerken zijn een opvallend kleine driehoekige rugvin, korte flippers en korte snuit. De dolfijn is op de bodem van Lac Bay aangetroffen in water van ongeveer drie meter diep en zo'n driehonderd meter uit de kant. Hij is aan wal gebracht door surfers en daar gemeten en onderzocht door medewerkers van STINAPA Bonaire. Er waren uitwendig geen tekenen die op de doodsoorzaak zouden kunnen wijzen: keel en blaasgat waren schoon en afgezien van een klein cookie-cutter-sharkwondje waren er geen verwondingen. Tussen de tanden zaten restjes garnalen; mogelijk is dit afwijkend voedsel voor deze viseter. De garnalen zijn verzameld voor onderzoek. Door omstandigheden kon het kadaver helaas niet geborgen worden en na monstername van lever, alvleesklier, longen, blubber en nog levende maagparasieten is het weer in de baai gedumpt. Hopelijk spoelt de schoongerotte schedel ooit nog aan en kan die alsnog worden verzameld om te worden opgenomen in een wetenschappelijke collectie.

       

      Op de onderste twee foto's zijn verwondingen te zien, aangebracht door een cookie-cutter shark Isistius brasiliensis(links),een klein haaitje dat in tropische wateren leeft en ronde happen uit grotere dieren neemt, en een litteken van een pijlinktvis (rechts).

      Ik wil Elsmarie Beukenboom, Jaime Bolanos, Dolfi Debrot, Ramon de Leon, Fernando Simal, Gerard van Buurt en Hans Verdaat bedanken voor de informatie over de stranding op Bonaire. Alle foto's zijn gemaakt door Gerard van Buurt.

      Enkele referenties:

      Fraser F.C. 1956. A New Sarawak Dolphin. The Sarawak Museum Journal 7: 478-503.

      Hoetjes P.C. 2010. Biodiversiteit in de overzeese gebiedsdelen. In: Noordijk J., R.M.J.C. Kleukers, E.J. van Nieukerken & A.J. van Loon (red.). De Nederlandse biodiversiteit. Nederlandse Fauna 10. Naturalis & EIS-Nederland, Leiden.

      Perrin W.F., P.B. Best, W.H. Dawbin, K.C. Balcomb, R. Gambell & G.J.P. Ross 1973. Rediscovery of Frasers DolphinLagenodelphis hosei. Nature 241: 345-350.

    • Maandoverzicht juli 2011

      Juli 2011 zal ons vermoedelijk nog lang heugen, want er is een recordaantal van 93 dode bruinvissen gemeld! Dat is niet alleen meer dan ooit in een julimaand, maar ook meer dan in welke maand van welk jaar dan ook. In de julimaanden van 2005-2010 strandden er gemiddeld 'slechts' 38 bruinvissen. De eerste dag waarop bleek dat er iets bijzonders aan de hand was, was 14 juli, toen maar liefst 10 bruinvissen strandden, de volgende dag gevolgd door nog eens 9. Een samenhang met de wind is duidelijk: op 12 en 13 juli nam de wind flink toe en 14 juli stormde het (figuur 1). Op 23-24 juli stormde het opnieuw en strandden er wederom een flink aantal bruinvissen (14). De harde wind van 17-18 juli leverde daarentegen niet veel bijzonders op.

      Figuur 1. Relatie tussen het aantal gestrande bruinvissen per dag in juli 2011 (blauwe staven, linker y-as) en de gemiddelde windsnelheid (meter per seconde, rode lijn, rechter y-as). Bron voor windsnelheid: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut KNMI.

       

      Figuur 2. Percentage jonge bruinvissen (90 cm of kleiner) in mei-augustus over 2006-2011.

      Van de bruinvissen waarbij een opgave van de lengte is gedaan (66 stuks) waren er 27 exemplaren 90 centimeter of kleiner (41%). Dit betreft dus jongen die dit jaar geboren zijn. Een hoge jongensterfte is normaal, maar het was dit jaar wel hoger dan in alle vorige jaren (figuur 2). De vondsten waren dit keer als volgt over de kust verdeeld: Zeeland 25, vastelandskust van Zuid-Holland 22, vastelandskust van Noord-Holland 9 en Wadden 37. Het aantal op de Noord-Hollandse kust is opvallend laag in vergelijking met de rest van de kust, terwijl het aantal op de Wadden juist hoger is dan normaal. Het laatste heeft ongetwijfeld te maken met de vakantieperiode, waarin toeristen bruinvissen spontaan aan Naturalis meldden. Of, en zo ja waarom, vakantiegangers in Noord-Holland zich stilhielden blijft onduidelijk. Er zijn vijf bruinvissen levend gestrand. Andere soorten zijn niet gemeld.

    • Maandoverzicht juni 2011

      In juni zijn 37 dode bruinvissen gemeld, duidelijk meer dan vorig jaar (toen 32) en ook meer dan het gemiddelde sinds 2005 (31). Juni 2006 leverde natuurlijk de meeste meldingen (48), gevolgd door juni 2009 (44). Dit jaar staat derde in de rij en doet daar dus niet eens zo veel voor onder. Van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden (inclusief de Maasvlakte) kwamen 13 meldingen (waarvan 4 in de Westerschelde en 1 in de Oosterschelde), van de Hollandse kust eveneens 13 en van de Wadden 11, met van elk bewoond eiland minstens een exemplaar en bovendien 1 van Rottumeroog en 1 van Harlingen. De sterke toename ten opzichte van mei is vooral te wijten aan postnatale sterfte, want van alle exemplaren waarvan een lengte is ontvangen waren er maar liefst 17 kleiner dan een meter. Naast bruinvissen zijn er deze maand twee witsnuitdolfijnen gestrand, beide op 12 juni: een rot exemplaar bij Bloemendaal en een levende op Ameland. Deze laatste is opgevangen door SOS Dolfijn te Harderwijk en gaat in gezondheid langzaam vooruit .

    • Levende bultrug in Nederlandse kustwateren: oproep tot gecoördineerd beleid

      Al enkele maanden zwerft er minstens één jonge bultrug in de Nederlandse kustwateren. Af en toe komen er waarnemingen binnen, soms goed gedocumenteerd met foto's of filmbeelden, soms zijn het ongevalideerde geruchten. Bij Scheveningen, Texel en Terschelling/Ameland kon worden geconstateerd dat het om een soepel bewegend, kennelijk fit, jong dier gaat. De reacties op deze bultrug verschillen nogal, maar het is belangrijk dat het dier hier rustig voedsel kan zoeken.

      Er zijn geen redenen te veronderstellen dat het dier in de problemen is, het is geen dier dat de verkeerde afslag heeft genomen. Bultruggen kunnen heel goed navigeren in ondiep water en langs zandige kusten, zij zijn niet gebonden aan diep water (het zijn geen potvissen!).  Bultruggen nemen snel in aantal toe ten zuiden van Ierland, in Het Kanaal en sinds 2003 ook in Nederlandse wateren.

      Bultruggen zijn baleinwalvissen en in dit deel van de wereld viseters. De bultrug die nu bij ons vertoeft zal plekken moeten vinden waar gemakkelijk en effectief water kan worden gefilterd om jonge haring, sprot, zandspiering, of misschien wel grondels te eten om in leven te blijven. In de westelijke Waddenzee, bij Texel, zocht het dier daar tevergeefs naar, elders langs de kust zijn de kansen op succes groter.

      Het is van fundamenteel belang het dier zoveel mogelijk met rust te laten en niet een bepaalde kant op te drijven. Gaan kijken, fotograferen en gewoon mooi vinden is prima, opdrijven richting dieper water zal het dier meer stress bezorgen dan goed voor hem is.

      Kees Camphuysen, Koninklijk NIOZ, 0222 369488, kees.camphuysen@nioz.nl

    • Geen dode bultrug boven Ameland!

      De dode bultrug boven Ameland is niet aangetroffen. Vermoedelijk betreft het een drijver van een zandzuiger. Er is wel een bultrug aanwezig, die kennelijk pendelt tussen de noordelijke Waddeneilanden en het Marsdiep, tussen Texel en Den Helder, waar het dier nog op 16 juni is gefilmd. Er zijn goedbedoelende lieden die trachten de walvis naar dieper water te drijven. Dit moeten zij niet doen! Lees het bericht hierboven.

    • Dode bultrug boven Ameland?

      Op woensdagochtend 15 juni bereiken ons berichten dat er een dode walvis drijft op zee boven Ameland. Hij is eerst gemeld als bultrug, daarna als potvis. De determinatie als bultrug is ongetwijfeld ingegeven door de waarnemingen van de afgelopen periode, waarbij een bultrug eerst voor de kust van Zuid-Holland is gezien en gevideoot op 19 april, (zie youtube), dezelfde op 1 en 2 juni in het Marsdiep, tussen Den Helder en Texel, heeft rondgezwommen en erna een bultrug is gezien en gefilmd boven Ameland op 7 juni (zie youtube). Die laatste leek in goede doen, hoewel dat lastig te beoordelen is aan de hand van een uit de hand geschoten videootje vanaf een wiebelende boot. Het ligt natuurlijk voor de hand dat die van 7 juni hetzelfde dier is als in het Marsdiep, maar dat weten we niet zeker, en het ligt eveneens voor de hand dat het dode dier dezelfde bultrug is, maar ook dat is nog niet bekend. Er zijn dit voorjaar ten minste twee verschillende bultruggen in de buurt van ons land gezien (zie ook  recentewaarnemingen). Zojuist hoorden we van Rijkswaterstaat dat het kadaver niet meer is aangetroffen door een schip die 'm aan wal zou slepen. Ieder die meer nieuws heeft wordt verzocht contact op te nemen met 071 - 5687 536 of 071 - 5687 571.

    • Maandoverzicht mei 2011

      Evenals in andere jaren liet mei een nog lager aantal strandingen zien dan de maanden februari-april: slechts 24 kadavers zijn gemeld. Het is ook minder dan het langjarig gemiddelde, dat sinds 2005 op bijna 31 ligt. De meimaand met de meeste strandingen was uiteraard 'topjaar' 2006 (59), die met de minste 2008 (13); mei 2011 staat op de een-na laagste plaats in dit rijtje. De meeste vondsten zijn dit keer in het zuidwesten gedaan (12), op de Zuid- en Noordhollandse vastelandskust zijn 7 kadavers gevonden en in het Waddengebied 5. Daarbij moet wel worden aangetekend dat beide kadavers op het zelden bezochte Simonszand zeer oud en dus vermoedelijk ruim voor mei gestrand waren. Er zijn in mei geen levende of pasgeboren bruinvissen gevonden en ook geen andere soorten gemeld. 

    • Maandoverzicht april 2011

      De aantallen in april zijn met 32 gestrande walvissen iets gedaald ten opzichte van maart. Dat is minder dan vorig jaar april (38) en, geheel in lijn der verwachtingen, ook minder dan in maart. Gemiddeld sinds 2006 waren er ruim 36 aprilstrandingen. De topaprilmaand viel in 2006, met 69. De tellers in Zeeland/Zuid-Hollandse eilanden hebben de schade van maart ingehaald en meldden nu 14 strandingen, die aan de Hollandse kust 9 en die op de Wadden eveneens 9. Op de binnenwateren in het Deltagebied werden drie bruinvissen gevonden en in de Waddenzee werd, mede omdat er weer vogelwakers aanwezig zijn, ook een kadaver aangetroffen op Griend. Spectaculair was de rotte bruinvis van 150 cm op Terschelling op 17 april met een gave foetus in de baarmoeder. Zie de foto's bij de melding elders op deze website.

      Er zijn deze maand drie bijzondere soorten gevonden: een vermoedelijke witsnuitdolfijn op 14 april op Terschelling (nr 211 voor ons land), een dwergvinvis op 3 april bij Breskens (nr 31) en een levende gewone dolfijn op 17 april bij Oostvoorne, die echter spoedig de geest heeft gegeven (nr 76, maar pas de derde sinds 2000). Er zijn deze maand dus 29 bruinvissen gevonden, maar geen enkele levende.

    • Oproep: gemerkte bruinvissen

      In een samenwerkingsproject tussen de Franse overheid, het Institut du Milieu Aquatique en lokale vissers zullen vanaf heden in Noordwest-Frankrijk in netten verdronken bruinvissen en zeehonden worden gemerkt met een geel merkteken en weer overboord gezet. Hoewel ver weg, bestaat er een kans dat ze in Nederland stranden. Het is ons niet bekend waar het merkteken wordt aangebracht, en mogelijk verschilt dit ook per visser, maar het is ongetwijfeld of rugvin, of flippers of staartvin. Op het merkje staat een (Frans) telefoonnummer dat gebeld dient te worden, maar de melding kan ook bij walvisstrandingen.nl gedaan worden. Wij geven dan de melding door en zullen te zijner tijd de details via onze website bekend maken.

    • Maandoverzicht maart 2011

      Over maart zijn 36 strandingen ontvangen, alle bruinvissen. Dat is fors minder dan in maart 2010, toen er maar liefst 54 zijn gemeld, maar weer wat meer dan in februari van dit jaar. Het maandgemiddelde sinds 2002 was 40, sinds 2006 zelfs 57. Sinds dat laatste jaar lag alleen het aantal gestrande bruinvissen in 2008 lager (32), maar in 2006 zelf waren het er maar liefst 99! In Zeeland/Zuid-Hollandse eilanden zijn dit keer slechts twee bruinvissen gevonden, langs de Hollandse vastelandskust 16 en in het Waddengebied 18, met op alle eilanden minstens een exemplaar, inclusief Rottumeroog. Opvallend was het relatief hoge aantal van de Fries-Groningse kust (5). Er zijn vier bruinvissen levend gestrand. Bijzonder was de foetus van ca. 20 centimeter (geschat van de foto) bij Bergen. Daarnaast zijn er ten minste tien ernstig beschadigde dieren gemeld.

    • Walvisstrandingen goes international?

      In Nederland worden al sinds 1914 levende en dode walvissen op het strand genoteerd: A.B. van Deinse was de eerste die dit systematisch aanpakte. Sinds 1974 is het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, de voorganger van het huidige Naturalis, er bij betrokken en sinds 2006 zijn de meldingen on-line beschikbaar. Langlopende onderzoeken zijn belangrijk om inzicht te krijgen in immer veranderende processen in de natuur. Het heetste moderne hangijzer is natuurlijk de klimaatverandering, waardoor niet alleen plant- en diersoorten hun verspreidingsgebied uitbreiden of inkrimpen, maar waardoor ook soorten in moeilijkheden kunnen komen. Bescherming is dan van groot belang om zon soort te behouden voor het nageslacht, of een tijdelijke uitweg te bieden.

      Nederland is niet het enige Europese land dat gestrande walvisachtigen noteert. Sterker nog, het gebeurt in vrijwel alle Europese landen, hoewel de meeste andere landen zijn hiermee gestart rond 1990. Het ligt voor de hand dat er ook s over de grens gekeken wordt, want als je de Nederlandse strandingen beschouwt komen er talloze vragen opborrelen: vinden ze in het buitenland ook zo veel bruinvissen? Zijn ze daar ook zo sterk toegenomen sinds de jaren 1990? Stranden daar nu ook minder witsnuitdolfijnen dan tien jaar geleden?

      De vondst van de gewone spitssnuitdolfijn in Engeland in juli 2010, die vier dagen ervoor in Egmond aan Zee strandde, geeft aan dat buitenlandse contacten op z'n minst handig zijn om dit soort puzzels op te lossen. De overheid heeft er natuurlijk ook belang bij, want die is verantwoordelijk voor een adequate bescherming van zeezoogdieren.

      Op 19 maart van dit jaar vond er, voorafgaand aan het Europese walvissencongres in Cadíz, Spanje, een workshop plaats over internationale samenwerking op het gebied van walvisstrandingen (zie http://www.circe.info/index.php?option=com_content&view=article&id=222&Itemid=237&lang=es#6). Vanuit Naturalis waren Berry van der Hoorn en Guido Keijl aanwezig. Er zijn presentaties gehouden door negen verschillende landen (waaronder Nederland) en er is nagedacht over hoe alle strandingen in Europa op een toegankelijke manier op internet getoond zouden kunnen worden. Nederland loopt voorop met een actuele website waarop strandingen en fotos al in de week van melding worden gepresenteerd. Er komt geen internationale database; elk land zal zijn eigen gegevens blijven bijhouden, maar deze zullen op een internationale website worden samengevoegd. Omdat het vanwege de niet gestandaardiseerde inhoud geen sinecure is om al die bestanden aan elkaar te knopen, zal de techniek de komende tijd verder worden uitgewerkt.

      Op moment van schrijven van dit stukje is de walvisconferentie nog bezig, dus meer dan dit kunnen we nu nog niet melden, maar het ziet er naar uit dat er al binnen enkele maanden meer nieuws te melden valt en we zullen proberen walvisminnend Nederland via deze website op de hoogte te houden.

    • Maandoverzicht februari 2011

      De oogst voor februari komt (voorlopig) uit op 31 bruinvissen, bijna twee keer zoveel als in januari dus en geheel in lijn met het meerjarenpatroon. Het maandgemiddelde sinds 2002 lag op 27, maar sinds 2006 op 36. Alleen in februari 2006 (33 exemplaren), 2009 (58) en 2010 (37) zijn meer bruinvissen gestrand. Duidelijk is natuurlijk dat het extreem hoge aantal strandingen in 2009 het gemiddelde erg omhoog trekt; er waren in februari 2011 dus wel degelijk veel strandingen! In Zeeland zijn dit keer 6 bruinvissen gemeld, op de Hollandse kust 13 en op de Waddeneilanden 12: 2 op Texel, 0 op Vlieland, 1 op Terschelling, 4 op Ameland, 3 op Schiermonnikoog en 2 op Rottumeroog. Opvallend waren de drie levend gestrande bruinvissen (Ritthem, Terschelling en Ameland) en de bruinvis die in Katwijk op het nippertje uit een staandwant gered kon worden (zie het bericht hieronder). Daarnaast zijn er ten minste elf hevig beschadigde bruinvissen gevonden. Zie de recente strandingen op de homepage voor de fotos. Ook is er een bruinvis gemeld met vistuig om zijn staart. Er zijn geen andere walvissoorten gemeld.

    • Bruinvis op het nippertje van verdrinkingsdood gered - oplettende strandwandelaar slaat alarm

      Op woensdag 23 februari, omstreeks 10.45uur, ontdekte Katwijker Kees Kuijt tijdens een strandwandeling met zijn hond dat er een bruinvis vast zat in een staandwantnet. Dit net is afkomstig van een lokale visser. De bruinvis vocht zichtbaar voor haar leven en dreigde te verdrinken. Direct werd Leen van Duijn van de Katwijkse EHBZ gewaarschuwd. Enkele minuten later was van Duijn ter plaatse. Hij besloot om de KNRM te laten alarmeren om het in nood zijnde dier door KNRM'ers in overlevingspakken te benaderen en te bevrijden.

      Van Duijn: 'Net voorbij de eerste zandbank, ter hoogte van strandpaviljoen Het Wantveld, zat de bruinvis verstrikt in een staandwantnet. De bruinvis had zich helemaal in het net gedraaid en kwam al kantelend boven om lucht te happen. Net voordat de KNRM ter plaatse kwam, besloot ik om gekleed in een waadpak de bruinvis te benaderen. Na enig geworstel slaagde ik erin de bruinvis te bevrijden. Vermoedelijk heeft de jonge bruinvis al uren lang happend naar lucht vast gezeten in het net, alvorens Kuijt de dolfijn opmerkte. Als Kuijt niet gebeld had, dan had deze bruinvis het naar alle waarschijnlijkheid niet overleefd.'

      Collega EHBZ'ers uit Noordwijk kwamen ook ter plaatse om de nodige assistentie te verlenen. De bruinvis werd vervolgens overgebracht naar het boothuis van de KNRM en voortdurend nat gehouden. Korte tijd later arriveerde het reeds gealarmeerde Stichting SOS Dolfijn van het Dolfinarium uit Harderwijk. Medewerkers gaven injecties om de bruinvis op te peppen. Vervolgens werd de bruinvis in de dolfijnambulance naar Harderwijk gebracht. De bruinvis wordt momenteel in een waterbassin begeleid, zodat ze niet verdrinkt. Deze begeleiding kan enkele uren, maar ook dagen aanhouden.

      Volgens SOS Dolfijn ging het om een vrouwtje. Ze heeft de naam Keesje gekregen, is 1,11 m lang en weegt 23,2 kg. Het is de vierde keer in vijf dagen dat SOS Dolfijn uitrukt voor een bruinvis in nood. Met zo veel dieren in het opvangcentrum is de werkdruk voor de medewerkers en vrijwilligers van SOS Dolfijn groot. Het gebeurde voor het laatst in 2006 dat er in februari zoveel meldingen kwamen.

      Van Keesje wordt op dit moment de gezondheid onderzocht. 'We controleren bij binnenkomst altijd direct het bloed', aldus Jolanda Meerbeek, hoofd van het opvangcentrum van SOS Dolfijn. 'Dit dier heeft geluk gehad dat mensen het op tijd uit het net konden halen. We weten ook dat het anders had kunnen aflopen. Wanneer een bruinvis in een net verstrikt raakt is de kans op verdrinking erg groot. Een bruinvis moet namelijk aan de oppervlakte komen om adem te halen.'

      Arie van Dijk (tekst en foto)

    • Maandoverzicht januari 2011

      In januari zijn iets meer bruinvissen gestrand dan in december, namelijk 18. Dat is opnieuw onder het maandgemiddelde, dat op ruim 21 exemplaren ligt en al de zesde maand op rij (sinds juli 2010) dat het aantal strandingen lager ligt dan het gemiddelde. Ter vergelijking: in januari 2010 waren er 36 strandingen en in 2009 33; in januari 2008 daarentegen maar 8, maar dat was dan ook een forse uitschieter naar beneden. Van Zeeland/Zuid-Hollandse eilanden, toch vaak goed voor forse aantallen, is dit keer slechts 1 bruinvis gemeld, van de Hollandse vastelandkust 9 (waarvan 1 in Noord-Holland) en van de Wadden 8 (4 op Texel, 1 op Terschelling en 3 op Schier). Er zijn geen andere soorten gevonden.

    • Maandoverzicht december 2010

      Geheel in de lijn der verwachting zijn er in december nog iets minder bruinvissen gestrand dan in de maanden ervoor: er zijn er slechts 13 gemeld en dat ligt ruim onder het meerjarig gemiddelde van 21 sinds 2002. In december 2007 waren het er slechts 6; voor nog minder strandingen moeten we terug tot december 2002 met slechts 1 bruinvis. December 2009 was het beste jaar, met maar liefst 40 walvissen (waaronder drie witsnuiten). De vondsten leken dit keer heel eerlijk over de kust verdeeld: Zeeuwse eilanden 3, vasteland van Zuid- en Noord-Holland 4 en Wadden 6 (twee elk op Texel, Vlieland en Ameland). Ook dit keer zijn geen andere soorten gevonden (vergelijk 2009: 3 witsnuiten, 2006 1 witsnuit, 2005 3 witsnuiten en 2003 1 bultrug).