Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Nieuws 2009

    • Jaaroverzicht walvisstrandingen in 2009

      Wat walvisstrandingen betreft is 2009 wat spectaculairder verlopen dan 2008: het totaal is geëindigd op 484 exemplaren. Er zijn maar liefst zes soorten walvisachtigen gevonden: naast de alomtegenwoordige bruinvis ook een dwergvinvis (2 augustus te Ritthem, het 29e exemplaar voor Nederland), een bultrug (8 oktober op Ameland, vierde (dode) exemplaar voor Nederland), een gewone spitssnuitdolfijn (4 oktober op de Maasvlakte, zestiende exemplaar voor Nederland) en de welhaast obligate witsnuitdolfijnen (26 december op de Maasvlakte en 27 december twee op Ameland, nummers 194-196 voor Nederland). Daarnaast is er ook een heuse orka gevonden, maar deze telt misschien niet helemaal mee, omdat het om een losse, subfossiele schedel ging (12 september Scheveningen, 28e exemplaar voor Nederland). In 2008 zijn er 'maar' drie walvisachtigen gemeld: naast bruinvissen drie witsnuiten en één witflankdolfijn. Topjaar was 2006, met maar liefst zeven soorten: naast bruinvis ook witsnuitdolfijn, witflankdolfijn, gewone dolfijn, gestreepte dolfijn, griend en gewone vinvis.

      In feite zijn alle walvisachtigen anders dan bruinvissen zeer spectaculaire vondsten, ook al heten sommige 'gewone'. Langs onze kust is tegenwoordig alleen de bruinvis echt gewoon. De Nederlandse kustwateren lopen geleidelijk af en het het water in de zuidelijke Noordzee is nergens diep. Verschillende walvisachtigen zoeken voedsel in diep water en kunnen daarom bij ons geen voedsel vinden. Dat geldt zeker voor een diepduikende soort als de gewone spitssnuitdolfijn. Deze soort komt wel in de Noordzee voor, maar met regelmaat alleen helemaal in het noorden. De gewone spitssnuitdolfijn die - nota bene levend! - strandde op de Maasvlakte, was dus een flink eind uit de buurt.

      Gemiddeld strandden er sinds 1990 ruim vijf witsnuitdolfijnen per jaar. Zowel in 1990 als in 2000 waren dat er zelfs elf. Sinds 2000 stranden er echter steeds minder. Zou er iets aan de hand zijn? Op zich is het verheugend - als er minder gevonden worden, gaan er misschien ook wel minder dood. Of zouden er minder witsnuitdolfijnen in de zuidelijke Noordzee terecht komen? Anderzijds zijn de gestrande aantallen van deze soort zo klein dat het beeld dat de grafiek laat zien misschien wel toevallig is: eentje meer of minder op een gemiddelde van slechts vijf maakt natuurlijk nogal uit en ook in de jaren 1990 waren er flinke schommelingen.

      Het jaar 2009 is wat bruinvisstrandingen betreft geëindigd als het op twee na 'beste' jaar, met 478 strandingen. Alleen in 2006 zijn meer dode bruinvissen geteld, namelijk 537. De meeste strandingen kwamen van de Waddeneilanden (ruim 40%), gevolgd door de vastelandkust van Noord- en Zuid-Holland (35%). De Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden waren goed voor bijna 25% van het totaal. Vergeleken met de periode 1997-2007 (Camphuysen et al. 2008) zijn er in 2009 duidelijk minder strandingen geweest in zowel de Delta als op de vastelandkust.

      De laatste jaren tonen de bruinvisstrandingen steeds hetzelfde beeld: veel in maart en augustus en minder in de zomer- en wintermaanden. 2009 week iets af van dit patroon, doordat de maartpiek al in februari begon en de zomerpiek dit keer over de maanden juli-september uitgesmeerd was. Naar de oorzaken kunnen we alleen maar gissen. In de periode februari-begin april zien zeevogeltrektellers veel bruinvissen, erna zien ze tot in het najaar vrijwel geen bruinvissen en pas vanaf eind november komen er weer meer (zie http://home.planet.nl/~camphuys/Bruinvis.html). Hoe het nou precies komt dat bruinvissen wel stranden in de zomer maar vanaf de kust niet worden gezien is het volgende raadsel. Indertijd is geopperd dat bruinvissen 's zomers verder uit de kust verblijven; er zouden er dan dus niet minder zijn dan 's winters. Aan de andere kant lijkt zich in het voorjaar een golf van trekkende bruinvissen langs onze kust naar het noorden te bewegen, althans dat is wat de zeetrektellers registreren. De bruinvissen die 's zomers aanspoelen, spoelen in het zuidelijk deel van ons land net zo goed aan als elders. Raadsel nummer drie dus.

      De bruinvissenmelders noteren op het strand naast versheid en toestand van het kadaver als het even mogelijk is ook geslacht en lengte. Een ruwe uitwerking van deze gegevens laat zien dat over de periode sinds 2005 mannen net iets vaker stranden dan vrouwen. In 2009 lag het percentage mannen echter wat lager dan in de jaren ervoor. Er strandden iets grotere vrouwtjes dan mannetjes (in 2009 ruim 122 cm tegen 116 cm). Overigens geldt dat we pas weten of deze verschillen reëel zijn als ze statistisch getest worden. Hetzelfde geldt voor lengteverschillen tussen jaren. Zo lijkt het alsof 2006, het jaar met de meeste strandingen, bruinvissen gemiddeld wat kleiner waren dan in de jaren ervoor en erna. Het is mogelijk dat in 2006 werkelijk kleinere bruinvissen voor onze kust aanwezig waren dan in andere jaren, maar het zou net zo goed veroorzaakt kunnen zijn omdat er bijvoorbeeld relatief veel jongen strandden; dit alles zijn speculaties en het is niet aan de hand van de database uitgezocht. Het wachten is op de gegevens van de secties, waar de juiste sekse en exacte lengtes worden genoteerd en waar hopelijk bovendien allerlei andere wetenswaardigheden vandaan komen, zoals mogelijke doodsoorzaken, uit- of inwendige verwondingen, afwijkingen, informatie over voedsel, zwangerschappen enzovoort. Tot die tijd is het voor de strandvonders: noteren en bewaren. Overigens ook voor de periode erna, want hoe langer we doorgaan met gegevens verzamelen, hoe interessanter het wordt.

      Voor de meldingen van dode zeezoogdieren zijn we volledig afhankelijk van de melders. Met name de niet aflatende inzet van de mensen die de bruinvissen van het strand halen, ze in een vriezer deponeren of naar de destructie brengen en vervolgens de gegevens aan Naturalis melden, vaak vergezeld van een of meer foto's, worden zeer gewaardeerd. Ik wil daarom hierbij iedereen bedanken voor zijn of haar bijdrage aan de walvissendatabase.

      Literatuur:

      Camphuysen C.J., C. Smeenk, M. Addink, H. van Grouw & O.E. Jansen 2008. Cetaceans stranded in the Netherlands from 1998 to 2007. Lutra 51: 87-122.

    • Jonge bultrug gestrand op Ameland

      Ameland - De bultrug die op 8 oktober tussen Ameland en Terschelling dood in zee dreef, is naar het strand van Hollum gesleept en daar ontleed door medewerkers van Naturalis. Het is de vierde bultrug die op de Nederlandse kust terecht is gekomen.

      Bultrug Ameland. Foto: Jeanet de Jong, Persbureau Ameland.

      Eerder strandden bultruggen op de Maasvlakte (2003), bij Katwijk (2003) en op Vlieland (2004). Het kadaver bij Ameland werd door een visser ontdekt in het Amelandse Gat. Om te voorkomen dat het met de vloedstroom de Waddenzee indreef en zou stranden op een onbereikbare zandbank, is het op sleeptouw genomen en op de zuidwestelijke punt van het eiland aan land gezet.

      Locatie waar de bultrug is ontdekt.

      Vanwege de relatief geringe lengte (schatting rond de 8,5 meter) is het duidelijk dat het om een jong dier gaat, een mannetje. Volwassen bultruggen kunnen zo'n 15 meter worden. De bultrug is meteen te herkennen aan zijn lange witte flippers, die veel lijken op vleugels. Ze zijn typerend voor de soort en gebruikt in de wetenschappelijke naam (Megaptera novaeangliae, van mega=groot en ptera=vleugel). Eveneens kenmerkend zijn de vlekkenpatronen op de keel en aangroeisels van zeepokken.

      Waarschijnlijk dreef de bultrug al meerdere dagen dood op zee. Het lichaam verkeerde namelijk in staat van ontbinding. De dunne opperhuid die boven het water uitstak was gebarsten en hing er in vellen bij. Ook bij de Amelandse bultrug is het kenmerkende vlekkenpatroon te zien. Op de snuit zijn veel zeepokken te zien. Het patroon van vlekken en aangroeisels, maar ook de vorm van de staart en de onderstaarttekening, verschillen per individu. Ze kunnen gebruikt worden voor 'persoonsherkenning.'

      Het walvissensnijteam van Naturalis heeft alle skeletdelen uit het kadaver gehaald en ook weefselmonsters en foto's genomen videoverslag >>. Uit de sectie is geen duidelijke doodsoorzaak naar voren gekomen. Gezien zijn geringe lengte is het dier niet van ouderdom gestorven. Wel was de maag leeg. Misschien is het dier per ongeluk de zuidelijke Noordzee ingezwommen en verzwakt geraakt door voedselgebrek. Foto's van de vlekkenpatronen op de kop en de vorm van de staart worden door anderen later vergeleken met databases waarin opnamen van levende bultruggen zijn opgeslagen. Misschien is zo te achterhalen waar de bultrug vandaan kwam en welke route hij heeft afgelegd voordat hij ergens op de Noordzee stierf.

      In de Noordzee worden ook steeds meer levende bultruggen waargenomen. Zo liet een exemplaar zich op 7 januari 2009 in het Marsdiep zien, tussen Texel en Den Helder. Het dier was in goede conditie. Bultruggen hebben hun kerngebied in koudere wateren, langs de kusten van Noorwegen, Schotland, Ierland en IJsland. In ons deel van de Noordzee ziet men ze ook foerageren, een aanwijzing dat ze niet toevallig verdwaald zijn maar gericht hier naartoe komen om te jagen op haring.

      © foto's Naturalis 2009 (Ans Molenkamp), tekst Hansjorg Ahrens

       

      1. De eerste snee. 2. Uitbenen van de tong

      3. Uitbenen onderkaak. 4. Fileren staart.

      5. Verwijderen ingewanden. 6. Schoonmaken schedel.

      7. Ontbenen wervelkolom. 8. Onderkaken en baleinen.

      9. Transport schedel. 10. Skelet gereed voor vervoer naar Naturalis.

      11. Schoongemaakte wervels en ribben. 12. De schoongemaakte schedel.
    • Overdracht botmateriaal van een grijze walvis

      Op donderdag 5 maart is uit naam van de Gasunie, door de heren Spiekhout en Hoiting, een aantal botten van een grijze walvis (Eschrichtius robustus) overgedragen aan Naturalis. Dit in gezelschap van de heren Stokkel en Buitenhuis van ARC (Archaeological Research & Consultancy) die de botten hadden gevonden. Het materiaal werd in ontvangst genomen door de adjunct-directeur Collecties van Naturalis, René Dekker, Caroline Pepermans (Hoofd collectiebeheer) en Hein van Grouw (Senior Collectiebeheerder Vogels & Zoogdieren). Deze botten waren gevonden tijdens grondwerkzaamheden in opdracht van de Gasunie, en zij bleken al bijna 5000 jaar lang in de grond te hebben gelegen. Deze walvis was dus met recht een grijsaard.

       

      Overdracht van de botten in Naturalis. Foto: Eelco Kruidenier, Naturalis.

      De genoemde grondwerkzaamheden werden uitgevoerd voor de aanleg van een gasleiding in de Wieringermeer. Hiervoor werd over een lengte van vele kilometers een brede sleuf gegraven met een diepte variërend tussen de 3 en 5 meter. In verband met de Wet op de archeologische monumentenzorg had ARC de opdracht om deze werkzaamheden archeologisch te begeleiden.

       

      Rib van de grijze walvis. Foto: L. de Jong, ARC.

      Tijdens de werkzaamheden werden o.a. de botfragmenten van een walvis gevonden die, naar later bleek, afkomstig zijn van de grijze walvis. Het ging hier om minimaal 13 losse wervelschijven en 3 ribben. Het botmateriaal zelf bleek niet meer dateerbaar op ouderdom, omdat botten van zeezoogdieren veelal erg poreus zijn waardoor er niet genoeg materiaal is voor datering. Echter de veenlaag die ongeveer 25 tot 30 cm boven de botten lag werd gedateerd op een minimale ouderdom van 4850 jaar. De botten in de daaronder liggende kleilaag zijn dus nog ouder.

       

      Wervelschijven van de grijze walvis. Foto: L. de Jong, ARC.

      De grijze walvis, die een lengte van ± 16 meter kan bereiken en een gewicht van ± 35 ton, was vroeger een geliefde jachtbuit voor de walvisvaarders. Het zeegebied rondom Noord-Holland en de voormalige Zuiderzee waren de vroegere paar- en geboorteplekken van de Noord-Atlantische populatie van de grijze walvis. Deze populatie is inmiddels uitgestorven en een oorzaak hiervoor zou de walvisjacht in deze gebieden kunnen zijn geweest. Omdat er op deze dieren werd gejaagd, en behalve het vlees ook de botten door de walvisvaarders aan wal werden gebracht (er werd traan gewonnen uit de botten), zijn er wel vaker botten van deze soort in Nederland gevonden. Maar gezien de ouderdom van deze botten is het niet waarschijnlijk dat die afkomstig zijn van een bejaagde walvis. Het gaat hier zeer waarschijnlijk om een toentertijd op natuurlijke wijze gestrand/aangespoeld dier en dat maakt deze vondst extra bijzonder.

      Het botmateriaal zal in de collectie van Naturalis worden bewaard, waar het altijd beschikbaar blijft voor verder onderzoek.

      Voor meer informatie zie: ARC-Rapporten 2008-128; Een Archeologische begeleiding langs de Oudelandertocht, Gemeente Wieringermeer (NH).

      ARC-rapport-2008-128.pdf (9163 Kilobytes)

      - Hein van Grouw, Naturalis

    • Ecomare vindt tientallen aan stukken gesneden bruinvissen op het strand

      Persbericht Ecomare, Februari 2009

      De laatste jaren was het aantal gestrande bruinvissen (kleinste walvis/dolfijn in de Noordzee, ongeveer 1,5 meter lang) dieren al hoog, 46 in 2008. In de eerste twee maanden van dit jaar zijn het er al meer dan twintig. In 2008 zijn er in dezelfde periode vijf gevonden. Ronduit alarmerend is het feit dat meer dan de helft van de kadavers met messen is bewerkt. De meeste kadavers zijn doormidden gesneden. Ook zijn losse stukken staart, losse koppen, stukken romp en vinnen gevonden. Daardoor is het niet goed mogelijk het exacte aantal dode gestrande dieren te tellen.

      Nog nooit in de tientallen jaren dat Ecomare de op Texel gestrande walvisachtigen bijhoudt, zijn er zoveel bruinvissen in twee maanden gevonden. Ook zijn er nooit zoveel bewerkt met messen. Zowel de dierverzorgers die de kadavers van het strand halen als de conservator die ze onderzoekt en registreert, zijn geschokt: Vaak zijn bruinviskadavers niet vers. Ze kunnen vreselijk stinken en er allerminst fraai uitzien. Wij zijn daaraan wel gewend. Maar de kadavers van de afgelopen maanden waren vers, het leken gezonde dieren. Ze stonken niet, maar ze zijn aan flarden gesneden en ronduit walgelijk om te zien.

      De bruinvissen die aan stukken zijn gesneden, zijn waarschijnlijk doodgegaan doordat ze in een visnet verstrikt zijn geraakt. Bruinvissen zijn zoogdieren, kunnen onder water niet ademen en verdrinken dan in het net. Het vermoeden bestaat dat staand-want visserij de meest bedreigende vismethode is en niet de visserij met gesleepte vistuigen. Wanneer hier duidelijkheid over is, zou een oplossing gevonden kunnen worden in het verplicht stellen van het aanbrengen van zogenaamde pingers op het betreffende vistuig. Deze apparaatjes brengen geluiden voort die zeezoogdieren afschrikken.

      Ecomare dringt, samen met oa. NIOZ en Wageningen-Imares, aan op snelle actie van de overheid, om deze officieel beschermde prachtige zeezoogdieren te redden.

      Nadere informatie: Ecomare, Just van den Broek, Ruijslaan 92, 1796 AZ  De Koog, Texel
      t 0222 31 77 41, m 0643045801, justvandenbroek@ecomare.nlwww.ecomare.nl
      Ecomare werkt aan natuurbescherming in wadden en Noordzee door voorlichting, educatie en opvang van vogels en zeehonden.

      Vleet-informatie over bruinvissen
      Informatie over aangespoelde en kapot gesneden bruinvissen
      Persbericht NIOZ