Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Nieuws 2008

    • Jaarlijkse bruinvissnijsessie

      In de week van 8 t/m 12 december was het weer zover. Bij de Universiteit voor Diergeneeskunde in Utrecht werden weer vele dode bruinvissen onderzocht op hun algehele conditie en doodsoorzaak. Dit jaarlijkse onderzoek, nu alweer voor de derde keer, is in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en wordt uitgevoerd door IMARES (Institute for Marine Resources and Ecosystem Studies) en het NIOZ (Nederlands Instituut voor Onderzoek der zee). De reden dat het Ministerie dit onderzoek laat uitvoeren is omdat zij graag wil weten hoe het met de bruinvissen langs de Nederlandse kust gaat.

      Jaarlijks spoelen er vele dode bruinvissen aan langs de Nederlandse kust. De oorzaken waaraan deze dieren sterven zijn zeer divers: ouderdom, ziekte, vervuiling of verongelukken. En door dat te onderzoeken, kunnen eventuele maatregelen worden genomen om bepaalde oorzaken weg te nemen of de kansen op verongelukken, zoals in visnetten, te verkleinen.

      Verder kan men ook veel leren over bijvoorbeeld de voedselkeuze van deze dieren. Er is nog steeds relatief weinig bekend over de levenswijze van walvissen en dolfijnen, omdat de dieren in het wild moeilijk te bestuderen zijn. En door de maaginhoud te bekijken, kan men ontdekken wat deze dieren zoal eten.

      De snijsessie is een internationaal gebeuren want de patholoog anatomen, vijf in totaal, die de secties verrichten komen uit verschillende landen en hebben elk hun eigen specialiteit. Zij worden bijgestaan door studenten en specialisten die ook weer elk hun eigen specialiteit hebben op het gebied van dolfijnen. Op deze manier worden echt alle mogelijke aspecten bekeken en is de kans dat er zaken over het hoofd worden gezien minimaal. Het op deze manier verrichten van onderzoek aan bruinvissen, op dergelijke grote schaal en met zoveel specialisten tezamen, is heel bijzonder en geeft een grote hoeveelheid betrouwbare gegevens.

      De betrouwbaarheid staat en valt natuurlijk met een goede administratie. Dat begint al op het moment dat een dode bruinvis op het strand wordt gevonden. Vindplaats en datum moeten worden genoteerd en het is natuurlijk belangrijk dat duidelijk blijft welke bruinvis welke was zodra zij worden bewaard voor onderzoek. Hiervoor doen de vinders bijvoorbeeld vaak al een opvallend label met een nummer aan de staart of rugvin van het dode dier. Dit nummer verwijst naar de vindgegevens van betreffende bruinvis in een database.

      Zodra de dode bruinvis eenmaal op de snijtafel ligt, is het belangrijk dat de patholoog anatomen allemaal op dezelfde manier hun dier onderzoeken en hun bevindingen noteren. Hiervoor is een protocol opgesteld dat precies aangeeft hoe een autopsie moet worden uitgevoerd. Uiteindelijk moeten al deze gegevens weer worden gekoppeld aan de vindgegevens van de betreffende bruinvis.

      Dit jaar zijn er meer dan 80 dode bruinvissen onder het mes geweest in Utrecht. Dat zijn er weliswaar veel minder dan dat er dit jaar zijn aangespoeld, maar toch weer zo'n 20 meer dan dat er vorig jaar zijn gesneden.

      Langs vrijwel de gehele kust zijn vrijwilligers actief die de dode (of levende) dieren ophalen en melden aan Naturalis. Deze meldingen komen dan in een landelijke strandingsdatabase, en die gegevens zijn ook zichtbaar via deze website. Veel van deze mensen zijn ook EHBZers (Eerste hulp bij Zeezoogdieren), en zij zijn door Zeehondencrèche Pieterburen opgeleid om op de juiste manier te handelen zodra zij een levend zeezoogdier, meestal een zeehond, in nood aantreffen.

      Dit jaar zijn er waarschijnlijk iets minder dieren gestrand dan het jaar daarvoor. In 2007 stond de teller op 31 december op 339. Nu, in 2008, staat de teller op het moment dat deze tekst werd geschreven op 283 dieren. Daar zullen er voor het einde van het jaar nog wel een paar bijkomen, en de gegevens van de strandingen uit het noorden van het land van het laatste half jaar zullen nog doorkomen, maar men verwacht niet dat het er meer zullen worden dan in 2007. Er lijkt dus weer een langzame afname te zijn van de aantallen. In 2000 lag het aantal zo rond de 100, en in  2004 was dat al boven de 200, en wel 211 om precies te zijn. In 2005 werden al 316 gestrande dieren geteld. En het absolute hoogtepunt (of liever: dieptepunt) was 2006 met 546 gestrande dieren. Zoals gezegd, de aantallen zijn nu weer aan het afnemen. Deze schommeling in aantallen lijkt gelijk te lopen met de aantallen levende dieren in de Noordzee. In 2006 werden ook zeer veel levende dieren waargenomen, en dat is de afgelopen twee jaar ook weer afgenomen. Dit wil overigens niet per sé zeggen dat het slechter gaat met de bruinvis. Het kan ook betekenen dat zijn prooidieren op dit moment minder in de Noordzee aanwezig zijn waardoor ook de bruinvis dus minder hier aanwezig is.

      Interessant is bijvoorbeeld om te melden dat gestrande dieren die al deels bedorven zijn, die dus langere tijd op zee hebben gedreven alvorens zij op de kust aanspoelden, vrijwel altijd goed gevulde magen hebben. Het idee is dat deze dieren ver uit de kust zijn overleden, terwijl de zeer verse bruinvissen, die dus vlak bij de kust zijn overleden en snel op het strand zijn aangespoeld, vaak mager zijn en lege magen hebben. Deze en nog veel meer bevindingen kunnen alleen worden gedaan met degelijk grootschalig onderzoek zoals dat nu al 3 jaar door IMARES en het NIOZ word uitgevoerd. Zodra de resultaten van deze snijsessie bekend zijn, dan zal dit via deze website bekend worden gemaakt.

       

       

      Een dode bruinvis wordt laag voor laag gestript om alle onderdelen aan een nauwkeurige blik te onderwerpen.

      Ingewanden, zoals de darmen, worden verwijderd om door andere specialisten verder te worden onderzocht.

      Okka Jansen en Mardik Leopold (IMARES) onderzoeken de maag- en darminhoud op voedselresten.

      De graatresten van een gegeten vis in een bruinvismaag.

      Een student sorteert nauwkeurig alle (graat)resten uit de maaginhoud.

      Niels van Elk, dierenarts bij het Dolfinarium Harderwijk, verwijdert voorzichtig en vakkundig de ingewanden uit een bruinvis.

      Thierry Jauniaux, veterinair patholoog-anatoom aan de Universiteit van Luik, beoordeelt een bruinvis op zijn doodsoorzaak en laat zijn bevindingen op de juiste manier noteren door een student.

      Een label in de staart, aangebracht door de vinder van het dode dier. Aan de hand van dit nummer is duidelijk dat dit de bruinvis is die op 3 oktober 2008 is gevonden op het strand bij Ouddorp (zie ook in de strandingslijst van de bruinvissen elders op deze site).

      Kees Camphuysen (NIOZ) verwerkt samen met een student alle bevindingen van de patholoog anatomen op de juiste manier in de computer.

       

      Hein van Grouw (senior-collectiebeheerder vogels & zoogdieren, Naturalis)

    • Witsnuitdolfijn gestrand op Texel

      Vandaag spoelde op het strand van Texel bij paal 23 een witsnuitdolfijn (vrouwtje) van 240 cm aan. Het dier is in vergaande staat van ontbinding en zal worden afgevoerd. Dit is de derde witsnuit dit jaar. De eerdere strandingen vonden plaats op 2 februari op Vlieland en 3  februari op het Westerscheldestrand van Ritthem in Zeeland.

      Foto's volgen nog.

    • Verzwakte aangespoelde bruinvis knapt op in Harderwijk

      HARDERWIJK - Een levende bruinvis is dinsdag aangespoeld op het Noordzeestrand van Terschelling. Het dier, een vrouwtje van nog geen meter lang, is overgebracht naar Harlingen en per dierenambulance vervoerd naar het opvangcentrum van Stichting SOS Dolfijn op het Dolfinarium in Harderwijk. Hier is zij onderzocht en naar omstandigheden maakt zij het goed. Het eerste weekend in het opvangcentrum van SOS Dolfijn is de bruinvis voorspoedig doorgekomen Het voeden van de vispap gaat goed, de ademhalingsfrequentie ziet er prima uit en het is een alert dier.

      De bruinvis is door de elfjarige Sven en zijn opa Remmert gevonden en is vernoemd naar de oma van de elfjarige vinder: Bettie. Bettie is een dier van 3 á 4 maanden oud en op die leeftijd zijn de jonge dieren nog afhankelijk van hun moeder, maar helaas is de bruinvis haar moeder kwijt geraakt. Bettie weegt 15 kilo en was bij binnenkomst in het opvangcentrum sterk vermagerd. Ook kon ze niet zelfstandig zwemen, ze maakte nog nauwelijks zwembewegingen en kantelde om wanneer je haar losliet.

      De eerste dagen is ze 24 uur per dag ondersteund door vrijwilligers en medewerkers van SOS Dolfijn. De eerste twee nachten in het opvangcentrum heeft ze voor het eerst zelfstandig door gebracht in een hangmatje, een soort bruinvis-zwemvest (zie foto). Sinds maandag zwemt Bettie zelfstandig, maar verder dan wat dobberen en voorzichtige staartslagen komt ze echter nog niet. De medewerkers van SOS Dolfijn zijn nog uiterst voorzichtig, er is dan ook continue iemand in de buurt voor het geval ze hun hulp weer nodig heeft.

       

    • Witflankdolfijn gestrand bij Castricum

      CASTRICUM (ANP) Een dode witflankdolfijn is vrijdagmorgen 21 maart 2008 aangespoeld op het strand van Castricum aan Zee. Volgens vrijwilliger Gerd de Röhl van de Dierenambulance Kennemerland is het dier vermoedelijk gestorven aan ouderdom.

      In de Noordzee zwemmen veel witflankdolfijnen rond. Aanspoelen op de Nederlandse kust gebeurt volgens de Röhl echter vrijwel nooit. Deze dieren zijn meestal te vinden in de diepere wateren. Als ze dood gaan, zijn ze voer voor andere zeebewoners". Het dier is inmiddels naar een koeling van de gemeente gebracht en wordt waarschijnlijk vernietigd.

    • Witsnuitdolfijn gestrand bij Vlissingen

      Op zondag 3 februari is op het strand van de Kaloot bij Ritthem langs de Westerschelde in Zeeland, niet ver van Vlissingen en dicht in de buurt van de kerncentrale Borssele, een dode witsnuitdolfijn (Lagenorhynchus albirostris) aangespoeld. Het gaat om een vrouwelijk dier met een lengte van 2,5 meter. De laatste witsnuitdolfijn strandde op 10 december 2006 op het strand van Texel. Ook dit was een vrouwtje.


      De witsnuitdolfijn direct na berging. Het kadaver is nog vers, dus het dier is pas dood.


      Strand van de Kaloot, langs de Westerschelde.

      Witsnuitdolfijnen leven in de koele, gematigde en subpolaire wateren van de Noord-Atlantische oceaan en aangrenzende wateren, van de Davisstraat (bij Groenland) en Kaap Cod (bij Boston) tot aan de Barentszee, de Baltische zee, Portugal en mogelijk Turkije.

      Volwassen dieren worden 2,50 tot 2,80 meter lang. De maximale lengte van de mannetjes is 3,15 meter, van vrouwtjes 3 meter. Pasgeboren zijn 1,20 tot 1,60 meter lang.

      Dit exemplaar van Ritthem is waarschijnlijk een erg oud dier, te oordelen naar het sterk afgesleten gebit. Het kadaver zal worden onderzocht op ziekten. Tevens probeert men de doodsoorzaak te achterhalen. Het skelet komt uiteindelijk terecht in de wetenschappelijke collectie van Naturalis in Leiden.

      Op zaterdag 2 februari 2008 werd ook op het strand van Vlieland een grote dolfijn aangetroffen. Het dier spoelde aan op een militair oefenterrein waar weinig mensen komen. Daarom is niet precies bekend op welke dag de witsnuitdolfijn op het strand terecht is gekomen. In ieder geval was het kadaver al in ontbinding. Toen het dier werd gevonden was de kop nog aanwezig, maar deze is spoedig na de vondst illegaal door een schedelverzamelaar verwijderd. Omdat de schedel ontbreekt is de identiteit van de soort lastig vast te stellen, maar het vermoeden bestaat dat het hier ook een witsnuitdolfijn betreft. Medewerkers van Naturalis zijn op woensdag 6 februari naar Vlieland gegaan om botmateriaal te verzamelen. Aan de hand hiervan kan de soort alsnog worden vastgesteld.