Zoek strandingen

Aantal strandingen in 2017

    Nieuws 2007

    • Bultrug voor de kust van IJmuiden

      Vlak voor de kust van IJmuiden is een Bultrug opgedoken. Een bijzondere gebeurtenis, want bultruggen staan bekend als zeldzame dwaalgasten in ons deel van de Noordzee. Waarnemers schatten de lengte van het dier op ongeveer 12 meter en ze vermoeden dat het om hetzelfde exemplaar gaat dat in mei van dit jaar in het Marsdiep rondzwom. Ook zou deze bultrug in september gespot zijn voor de zuidkust van Ierland, zo'n 1000 kilometer westelijker.

      Wat is er aan de hand? De Noordzee is niet het normale leefgebied van bultruggen. Dat een bultrug zich hier laat zien is al bijzonder, maar dat hetzelfde dier met tussenpozen op vrijwel dezelfde plek verschijnt is uniek te noemen. Is het een dwaalgast die opnieuw een vergissing begaat, of pendelt de bultrug heen en weer tussen voedselgebieden bij Ierland en bij ons en weet hij precies wat hij aan het doen is? Het lijkt er in ieder geval op dat het dier zich hier thuisvoelt en zelfs op jacht is naar vis.

      Typerend voor de bultrug is het kleine sikkelvormige vinnetje achteraan op de rug en het mozaiek van zeepokken op de onderkaak. Bij elk individu is het patroon van de aangroeisels anders. Aan dit 'persoonlijkheidskenmerk' zijn individuen danook vrij betrouwbaar te herkennen.

      Zwemmende bultruggen maken een rollende beweging door het water. Als ze aanstalten maken om te duiken, krommen ze hun rug sterk. Die steekt dan als een bult boven het water uit. Vandaar de naam bultrug.

      Bekijk de bultrug op Youtube
      Video: Pieter Thomas
      Filmbeelden vanaf de pier bij IJmuiden. De bultrug is op 30 meter van de kust aan het fourageren (waarschijnlijk op haring) en komt af en toe met zijn rug boven.



      De bultrug in het zeewater voor de kust van IJmuiden. Foto: Steve Geelhoed.
       

    • Dode tuimelaar gevonden in de Oosterschelde

      Vandaag is drijvend in de Oosterschelde het kadaver van een dode dolfijn gevonden. Met zeer grote waarschijnlijkheid gaat het om een tuimelaar (Tursiops truncatus). Het dode dier is met een politieboot naar de kant gebracht, waarna het verder is geborgen. Morgen zal de tuimelaar worden overgebracht naar Naturalis, o.a om het skelet te laten prepareren. Dit skelet zal worden bewaard in de wetenschappelijke collectie van het museum. Verder zal er in samenwerking met IMARES/NIOZ divers onderzoek plaatsvinden op het dier om o.a. de doodsoorzaak vast te stellen.

      Het gaat om een vrouwelijk dier, in goede conditie en met een lengte van 2,76 meter. De tuimelaar zwom al lang in de Oosterschelde rond en liet zich vaak zien. Zo heeft het dier in de loop van de tijd  veel mensen vermaakt. De laatste dode tuimelaar voor Nederland werd ook in de Oosterschelde gevonden, en dat was op 29 april 1991.

    • Gewone dolfijn waargenomen

      Op zondag 13 mei is langs de kust van Nieuwpoort (België) een dolfijn (Delphinus delphis) waargenomen. Het dier heeft ongeveer een uur meegezwomen met een zeilboot.


      Foto: Arne Bruycker.

    • Bultrug bij Den Helder

      Op de 12 mei wordt de Bultrug gezien, al foeragerend langs de Helderse Zeewering.

      copyright Kees Camphuysen
      Foto Kees Camphuysen.

    • Onbekende walvis gedetermineerd

      De onbekende walvisachtige die op 10 mei voor het eerst werd waargenomen, is op 11 mei gefotografeerd voor de Mokbaai op Texel. Het gaat om een Bultrug Megaptera novaeangliae.

      fotograaf Hans Verdaat
      Foto Hans Verdaat.

      Ongeveer een week eerder werd een Bultrug gezien boven de Doggersbank. Het is waarschijnlijk dat het hier om hetzelfde individu gaat. De recente Nederlandse waarnemingen en strandingen van Bultruggen volgen op een periode van honderden jaren waarin geen enkele stranding of waarneming in onze omgeving bekend is geworden.

      (met dank aan Kees Camphuysen en Hans Verdaat)

    • Onbekende walvis in het Marsdiep bij Den Helder

      Op donderdag 10 mei werden er door diverse mensen waarnemingen gedaan van een 'walvisachtig dier'. De beschrijvingen van het dier liepen zo uiteen, dat tot op heden nog niet bekend is om welke soort het gaat. In de middag werd het dier gezien nabij de Helderse zeedijk. Later, aan het begin van de avond werd hij gezien op 1 km. afstand ten oosten van de vuurtoren.

      Op dit moment zijn wij in afwachting van eventuele foto's die gemaakt zouden zijn door de bemanning van de Patrouilleboot van de kustwacht.

    • Witflankdolfijn gestrand op Schiermonninkoog

      Op woensdag 10 april is er op Schiermonnikoog een witflankdolfijn (Lagenorhynchus acutus) aangespoeld. Het dode dier, een mannetje van bijna 3 meter, was nog helemaal vers en nagenoeg onbeschadigd. Juist omdat het kadaver nog zo vers is, is dit dier zeer geschikt voor verschillende vormen van onderzoek. Onderzoek dat er allemaal op is gericht om meer over de levenswijze van deze dieren te weten te komen. Zo zal het complete maag en darmstelsel voor verder onderzoek naar IMARES gaan. Deze onderzoeksinstelling doet uitgebreid onderzoek naar de voedselpatronen van de diverse dolfijnachtigen in de Noordzee. Ook zal geprobeerd worden de doodsoorzaak vast te stellen

      witflankdolfijn
      De witflankdolfijn in de vriesruimte van Naturalis. Foto Ans Molenkamp (Naturalis).

      Het dier is opgehaald door medewerkers van de Zeehondencrèche Pieterburen, en in overleg met Naturalis en de andere onderzoeksorganisaties in Nederland zal worden overlegd welk onderzoek er verder aan het dode dier zal plaatsvinden. Het complete en onbeschadigde skelet zal worden opgenomen in de wetenschappelijke collectie van Naturalis.

      Witflankdolfijnen komen normaal gesproken voor in de koele, gematigde en subarctische wateren in het noorden van de Atlantische oceaan. Verder komen ze voor in het zuidelijke deel van de Barentszzee, in de Baltische Zee, in de Middellandse Zee (Adriatische Zee) en bij de Azoren. Ze komen ook voor in het oosten van de Atlantische Oceaan: van de Britse eilanden en de Noordzee tot aan IJsland en Noorwegen.

      Dat dit dier nog verder in de Noordzee terecht is gekomen, is wel bijzonder. De afgelopen 40 jaar zijn er, naast dit dier, nog 9 andere witflanken aangespoeld op de Nederlandse kust. In maart 1967 was dat een vrouwtje bij Wissenkerke op Noord-Beveland. In december 1973 een mannelijk individu bij Breskens en in maart 83 wederom een man, maar toen bij Zandvoort. In 1985 werden er maar liefst 3 exemplaren gevonden: in maart bij Lauwersoog, in november bij Sint Maartenszee en in december op Texel. In januari 1999 werd een mannelijke witflank gevonden op Ameland en iets minder dan twee jaar later een vrouwelijk exemplaar op Terschelling. Net als deze laatste witflankdolfijn van 10 april 2007, werd de vorige dolfijn van deze soort ook op Schiermonnikoog gevonden. Dat was in maart 2006.

      witflankdolfijn
      Foto Ans Molenkamp (Naturalis).

      Al met al zijn er de laatste 40 jaar dus 10 witflankdolfijnen aangespoeld. Dat lijkt niet veel, maar de laatst bekende melding van voor 1967 komt uit 1863.

      Om deze toename te kunnen verklaren zal er nog veel onderzoek nodig zijn. Een dergelijk vers exemplaar zoals nu weer aangespoeld is, kan veel belangrijke onderzoeksgegevens opleveren.

    • Aan repen gesneden bruinvissen op het Nederlandse strand

      Jaap van der Hiele


      Foto Jaap van der Hiele.

      In het najaar van 2006 werd een rapport gepubliceerd waarin onderzoekers van IMARES en NIOZ verslag deden van de bevindingen van hun onderzoek aan in Nederland gestrande bruinvissen. De uitkomsten waren voor sommigen nogal schokkend, omdat geschat werd dat meer dan de helft van alle bij ons aangespoelde bruinvissen door verdrinking (vermoedelijk in vistuig) om het leven waren gekomen. Het probleem bleek zich vooral in het voorjaar (maart/april) af te spelen, wanneer zich grote aantallen bruinvissen in onze kustwateren bevinden. Dit hoge niveau van vermoedelijke bijvangststerfte paste overigens precies in het internationale patroon, dus zo bijzonder was het feitelijk niet. Vanuit de visserijwereld kwamen twee verschillende reacties: (1) de ontkenning dat de Nederlandse visserij hier iets mee te maken had en (2) actieve hulp bij het zoeken naar aanwijzingen welk vistuig verantwoordelijk zou kunnen zijn. Deze laatste groep vissers was er, net als wij, van overtuigd dat alleen door het leggen van de vinger op de zere plek naar een goede oplossing gezocht kon worden. Een oplossing in de zin van aangepast vistuig, het gebruik van voor bruinvissen afschrikwekkend geluid, of bijvoorbeeld kleine aanpassingen bij het plaatsen of slepen van de netten. Zowel de visserij (doorgaan met vissen) als de bruinvissen (minder bijvangst) zouden daarbij gebaat zijn.

      Sinds de publicatie van dit rapport is er het één en ander veranderd. Steeds vaker spoelen er bruinvissen aan die volkomen kapotgesneden zijn. De bijgaande foto laat een karakteristiek geval zien van een aan repen gesneden, verse bruinvis met een dikke speklaag, dus vermoedelijk in goede conditie toen het dier stierf. We vinden gevilde dieren, compleet schoon gesneden (verse) karkassen, los gesneden staarten en andere onderdelen die allemaal laten zien dat iets of iemand met een scherp mes op zee zich op deze kadavers aan het uitleven is. Wij verzamelen zoveel mogelijk van deze kadavers, de rest wordt met foto's gedocumenteerd, en zij zullen deel uitmaken van een vervolgonderzoek. Ze bewijzen ondertussen dat het bijvangstprobleem waarschijnlijk groter is dan tot dusverre werd verondersteld; of zouden het misschien geen vissers zijn die op zee in deze dieren aan het snijden zijn maar bijvoorbeeld zeilers vanuit hun polyester jachtjes? In België werd met vissers gesproken die aangaven dat zij per ongeluk bijgevangen bruinvissen inderdaad vaak opensneden, zodat de lijken later niet gevonden zouden worden. Een praktijk die overigens ook in Nederland gangbaar was zo'n 100 jaar geleden, toen bruinvissen nog algemeen waren en nu blijkbaar opnieuw door sommigen wordt toegepast. Deze praktijken zijn niet alleen illegaal, de opengesneden bruinvissen spoelen wel degelijk aan en worden dan in die deplorabele toestand door badgasten gevonden. Vermoedelijk zijn hiervoor slechts enkelen verantwoordelijk: sterk op elkaar gelijkende mutilaties spoelen aan in clusters in Zeeland, langs de Hollandse kust en op de Waddeneilanden. Mogelijk zijn het pogingen om bewijslast van bijvangsten te verdonkermanen. Het kost zo inderdaad meer moeite om uit te vinden waar de problemen tussen vissers en bruinvissen ontstaan, maar het werkt averechts. De strandingen wekken de ontsteltenis en ergernis van de vinders op, zodanig dat er aanzienlijke imagoschade optreedt voor een complete beroepsgroep; ook voor vissers die nooit een bruinvis zien! Vroeger of later zullen deze strandingen ook weer voor de nodige ophef in de media zorgen en niemand, de visserij maar ook de bruinvissen niet, zijn met dit alles gebaat.

      Bij deze een dringende oproep om informatie over dit soort uit elkaar gesneden bruinvissen: wie zou dit doen en waarom? Ten tweede een herhaalde oproep om per ongeluk bijgevangen dieren niet in zee te dumpen maar aan land te brengen en voor onderzoek aan te bieden. Wanneer de visserij de roep om duurzaamheid van haar bedrijfstak ter harte zou nemen, dan is het elimineren of op zijn minst minimaliseren van bijvangsten van bruinvissen een belangrijke stap. Dat kan, en is niet eens zo heel moeilijk, maar daarvoor is medewerking van de sector nodig.

      Kees Camphuysen, Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, postbus 59, 1790 AB Den Burg, Texel, camphuys@nioz.nl; Mardik Leopold, Wageningen IMARES, postbus 167, 1790 AD Den Burg, Texel.